1912: in Kosovo wordt het juk vervangen

De intocht van KFOR in Kosovo en de teloorgang van het Servische gezag is een nieuw hoofdstuk in de lange geschiedenis van de regio en de relaties tussen Serviërs en Albanezen. De geschiedenis van Kosovo, Servië en Albanië in acht delen. Vandaag het derde deel, de periode 1878-1914.

De wieg van het Albanese nationalisme staat in Prizren, Kosovo. In 1878 vormden driehonderd oerconservatieve Albanese landheren met een groepje liberale intellectuelen de `Liga van Prizren'.

1878 is op de Albanese kalender het jaar van de Rilindje kombëtare, de nationale wedergeboorte, die in 1912 in de havenstad Vlorë uitliep op het uitroepen van de onafhankelijkheid. In 1878 waren de Albanezen nog niet uit op afscheiding van het Turkse Rijk. Het merendeel had zich eerder tot de islam bekeerd wegens de belastingvoordelen, privileges en carrièreperspectieven - Albanië leverde de Porte in de loop der eeuwen 42 grootviziers. Toen in de 19e eeuw nieuwe Balkanstaten ontstonden, hoopten ze binnen het Turkse Rijk bescherming te vinden tegen de Serviërs en Montenegrijnen, Bulgaren en Grieken.

Maar in 1877 bleek hoe fragiel het Ottomaanse Rijk was geworden. Toen de Turken een Bulgaarse opstand neersloegen, greep Rusland de kans om hen terug te drijven tot Constantinopel. Servië zag zijn onafhankelijkheid versterkt en greep de kans aan om in Albanië een uitweg naar zee te zoeken. Zo werd 1877 ook het jaar van de eerste grote Servisch-Albanese confrontatie. De Serviërs veroverden Zuid-Servië en delen van Kosovo en lieten een spoor van verbrande moskeeën achter. Albanese moslims werden vermoord of verdreven. Jonge Serviërs uit Kosovo sloten zich aan bij het Servische leger; fanatieke Albanese moslims namen wraak op de achterblijvers.

Bij de vrede van San Stefano (1878), een dictaat van de Russen, waren de Albanezen het kind van de rekening. Delen van Noord-Albanië en West-Kosovo gingen naar Montenegro, Servië kreeg een ander deel van Kosovo en Bulgarije annexeerde Macedonië en West-Albanië. In reactie hierop ontstonden Albanese milities, die zich in de Liga van Prizren verenigden. De Albanezen waren niet zonder vrienden: Wenen, Parijs en Londen waren bezorgd over de opmars van de Russen, Serviërs en Bulgaren en het Ottomaanse Rijk kwam het goed uit dat Albanese vrijwilligers de grenzen verdedigden.

Bij het Congres van Berlijn van 1878, waar de grootmachten de `San Stefano' ongedaan maakten (Bulgarije was te groot uitgevallen), bleef Kosovo binnen het Ottomaanse Rijk, dat wel Albanese gebieden aan Montenegro afstond. Toen de Liga van Prizren zich daar succesvol tegen verzette werd ze in 1881 met harde hand onderdrukt. Het Congres van Berlijn pakte ook op de lange termijn ongunstig uit voor de Albanezen. Bosnië, waarop Servië zijn zinnen had gezet, kwam onder Habsburgs bestuur. Nu richtte Servië zijn ambities op Kosovo.

Wat wilden de Albanezen? Islamitische clanhoofden en landheren in Kosovo zagen het liefst alles bij het oude bijven: relatieve autonomie, het recht wapens te dragen, lage belastingen, voorrechten boven christenen. Jonge Albanese intellectuelen wilden de vier Albanese vilayets (provincies) verenigen en onderwijs in de eigen taal. Het ontstaan van Albanees nationalisme werd gehinderd door hun verdeeldheid. Albanezen waren moslim, katholiek of orthodox; ze hanteerden het Arabische, het Latijnse of het Griekse alfabet. Bovendien waren ze verdeeld over talrijke clans, alleen loyaal aan de eigen regio. Toch ontstond begin van deze eeuw een culturele beweging en nationaal besef.

De Turken slaagden er na 1878 niet meer in hun gezag blijvend te vestigen in Kosovo. ,,De overheid wordt niet gehoorzaamd, hooguit getolereerd', schreef een Engelse reiziger. Opstand volgde op opstand: tegen hoge belastingen, tegen de ontwapening van de clans, tegen corrupte gouverneurs. Servische Kosovaren waren de dupe van de chaos. Velen werden het slachtoffer van Albanese bendes en leidden een miserabel bestaan. Leon Trotski, correspondent, constateerde in 1912 dat rijke Serviërs alles deden om niet de jaloezie van hun Albanese buren te wekken. ,,Als een Serviër een huis van twee verdiepingen bouwt, schildert hij het niet, om het er niet beter te laten uitzien dan Albanese huizen.' Een reiziger beschreef hoe Servische kinderen zich in het stof wentelden als een moslim voorbijliep.

In 1908 deed het Ottomaanse Rijk de laatste poging tot hervorming. De `Jong-Turken' grepen de macht. Ze beloofden de Albanezen – en de andere minderheden in het rijk – behoud van oude voorrechten, autonomie en bovenal een grondwet. Van hun grondwet verwachtten de Albanezen vrijheid, gelijkheid, universiteiten, spoorwegen, fabrieken: een snelweg naar de Europese welvaart. Maar al snel merkten ze dat de Jong-Turken een centralistische staat wensten met onderwijs in het Turks, universele diensplicht en hogere belastingen. Voor autonomie was geen ruimte.

Een oude Albanees zei in 1908 tegen de Engelse antropologe Edith Durham. ,,Het Turkse Rijk is een oud huis dat wegrot en ineenzakt. Maar probeer het niet te repareren, verplaats geen balk of baksteen, want dan stort het in.' Het Ottomaanse Rijk wàs niet te hervormen. Kosovo en de rest van Albanië vervielen na 1908 in een staat van permanente opstand. Servië en Montenegro stookten naar hartelust en leverden geld en wapens. De opstand verliep iets te succesvol. In 1912 tekende een Servische agent bezorgd op: ,,De Albanezen staan op het punt een natie te worden.' Dat was niet de bedoeling: een verenigde Albanese staat was minder eenvoudig op te delen dan de scherven van het Ottomaanse Rijk. Dus vielen de Balkanstaten in 1912 eendrachtig aan om de Turken uit Europa te verdrijven. De Serviërs en de Montenegrijnen veroverden Kosovo; de Albanezen vochten nu weer aan Turkse kant. Toen Servische troepen in Kosovo stuitten op fel Albanees verzet, volgde een vreselijk bloedbad. Honderden Albanese dorpen werden met de grond gelijk gemaakt, tienduizenden Albanezen gedood. Met het leger trok een karavaan plunderende Servische boeren de Albanese dorpen binnen. Kosovo was bevrijd. Bevrijd van de Turken. Nu kwamen de Serviërs.