Voor dit land heeft het uur van de waarheid geslagen

Op 19 mei 1940, negen dagen na de Duitse inval, werd Arthur Seyss-Inquart door Hitler benoemd tot rijkscommissaris voor Nederland. Twee maanden later, op 26 juli, hield hij in de Haagse dierentuin een toespraak voor de Nederlandse afdeling van de Duitse nazi-partij. Voor de goede verstaander was het duidelijk dat hier een man aan het woord was die elke poging van verzet tegen het bezettingsregime in de kiem zou smoren.

Wanneer u thans uw taak ter hand neemt, dient u te weten welke richting onze werkzaamheid in dit land nemen moet. Ik wil nogmaals vaststellen dat wij willen en wensen dat het Nederlandse volk in de conflicten van deze tijd zijn land en zijn vrijheid zonder meer voor de toekomst zal kunnen veiligstellen en dat doortastende mannen met verantwoordelijkheidsgevoel uit het Nederlandse volk het lot van dit land zullen leiden, gedragen door het vertrouwen van heel het Nederlandse volk. De wijze waarop de Nederlanders in dit land hun politieke gedachtengoed gestalte geven is hún zaak. Wij behouden ons slechts het recht op ons standpunt voor.

De Nederlanders meenden – beweerden althans – neutraal te zijn geweest, maar wat heet neutraal? Wanneer grote naties een strijd op leven en dood aangaan, heeft formele neutraliteit weinig te betekenen. Wij Duitsers kunnen in elk geval geen neutraliteit erkennen wanneer een land tot verzamelpunt van alle emigranten en vijanden van ons volk wordt, wanneer een land duldt dat in zijn pers dagelijks al wat ons heilig en dierbaar is, door het slijk wordt gehaald, wanneer de verdedigingswerken van een land, als voortzetting van de Franse en Belgische verdedigingslinies, uitsluitend tegen het Rijk gericht zijn, en wanneer ten slotte op het grondgebied van dat land zelfs een samenzwering tegen het leven van Führer mogelijk is. Door dit alles kon Nederland in onze ogen allang niet meer als neutraal gelden [...]. Ons recht wortelt in de verantwoordelijkheid voor 80 miljoen mensen van Duits bloed en in onze kennis van het verschrikkelijke wurgverdrag van Versailles, dat miljoenen Duitse mensen aan ellende en vernietiging wilde prijsgeven.

Naar die verantwoordelijkheid hebben wij gehandeld, en wij konden dat des te beter doen, doordat het voor ons – zo stellen wij met nadruk – om een defensieve maatregel ging; het ging er niet om een land te veroveren en een volk van zijn vrijheid te beroven. En zo staan wij hier als overwinnaars en als bezettingsmacht. [...]

Wat nu het gedrag van de Nederlanders betreft, willen wij vaststellen dat wij wel in de laatste plaats rekenen op onderdanigheid of ongemeende vriendelijkheid; wat wij wél verwachten is een ordelijke en beheerste houding. Ook in dat opzicht zijn wij genereus. Ik richt evenwel tot ouders en leraren de ernstige aanmaning, de jeugd niet op het dwaalspoor van verkeerd begrepen gevoelens van nationalisme te leiden. Dat wij tegen een heus Nederlands nationalistisch gevoel geen bezwaar hebben, blijkt wel het duidelijkst uit het feit dat wij tegen het gebruik van de Nederlandse vlag geen bezwaar maken. Dat wij aan de Nederlandse toekomst denken, bewijst de door ons betoonde zorg om de Nederlandse jeugd, want de jeugd is de toekomst van het volk. Onze inspanningen voor de Opbouwdienst, en de hulp en de stimulering die wij verlenen aan de totstandkoming van een Arbeidsdienst, zijnde een van de voornaamste middelen tot opvoeding en lichamelijke harding van de natie, moeten eenieder duidelijk maken wat ons ter harte gaat.

Intussen doen zich bepaalde verschijnselen voor die zorgwekkend zijn, niet voor ons maar voor de Nederlanders zelf. Een van die verschijnselen is de houding van de Nederlanders jegens onze Duitse volksgenoten. Waar moet dat bijvoorbeeld heen wanneer onze mensen die hier al jarenlang loyaal werkzaam zijn, nu in sommige plaatsen openlijk worden geboycot? Waarom wordt een deel van de Nederlandse bevolking door onverantwoordelijke ophitsers deze weg op gedreven, die het eens – nog afgezien van de schadeloosstelling – weer helemaal in omgekeerde richting zal moeten afleggen? Met nadruk wil ik ook waarschuwen voor iedere belediging van het Duitse volk en het Duitse Rijk, van onze symbolen en onze vaandels, maar in de allereerste plaats van onze Führer, die onze hoogste eer vormt. Ik zeg heel duidelijk en ondubbelzinnig dat zo'n allerzwaarste belediging de onmiddellijke, meedogenloze reactie van ieder van ons, maar zeker van iedere gewapende, tot gevolg zal hebben.

Ik zou ook allen willen waarschuwen die in troebel water willen vissen en die menen achter de rug van het Duitse leger hun dapperheid te kunnen bewijzen. Voor iedereen, zonder uitzondering, gelden de verordeningen ter handhaving van orde en veiligheid, en iedere poging tot verstoring, door wie ook ondernomen, wordt onverbiddelijk bestraft. Voor gerechtvaardigde klachten zal ik altijd een open oor hebben.

Het lijkt mij ook nodig duidelijkheid te scheppen omtrent de op dit moment voor ons geldende betrekkingen tot de naar het buitenland vertrokken vroegere politieke elementen van Nederland. Met de vroegere regering behoef ik mij alleen al daarom niet bezig te houden, omdat het de regering ook volgens de grondwet van dit land verboden is zich in het buitenland te vestigen, zodat die stap onwettig is en daarmee alle verdere pogingen van die mannen om maatregelen te nemen eveneens onwettig geworden zijn, om nog maar te zwijgen van het feit dat krachtens het bezettingsrecht de Führer van het Grootduitse Rijk voor de duur van de bezetting de uitoefening en verdeling van de regeringsmacht ondubbelzinnig geregeld heeft.

Wat nu de houding jegens de koningin betreft, dient het volgende voor ogen te worden gehouden: de koningin heeft het Duitse Rijk de oorlog verklaard, zij heeft deze verklaring althans met haar autoriteit gedekt, en is als vijandin van het Grootduitse Rijk naar Engeland gegaan. Zij volhardt bovendien in die houding; ons is niet bekend dat zij op een of andere wijze protesteert tegen de door Engeland tegen Nederland ondernomen bombardementen op niet-militaire doelen, waarvan in de eerste plaats Nederlanders het slachtoffer worden. Zonder de kwestie van de Nederlandse staatsvorm aan te roeren, zonder de betrekkingen van het Nederlandse volk tot het Oranjehuis op enigerlei wijze te willen beïnvloeden – want dat zijn aangelegenheden waarover het Nederlandse volk zelf vrijelijk moet oordelen – staat vast dat een bezettingsmacht niet kan accepteren dat betogingen van welke aard ook worden gehouden voor een persoon die zich in de vijandelijke gelederen bevindt – zelfs al is zij de koningin van het land. Evenzo spreekt het vanzelf dat alle invloeden van buitenaf op het bezette land voor de duur van de bezetting worden uitgeschakeld. Ik onderstreep deze verklaring nadrukkelijk met het oog op toekomstige herdenkingsdagen, maar ook op het feit dat de bezettingsmacht van punten van die strekking in politieke verklaringen of programma's geen notitie kan nemen. Wat ik hier van de koningin zeg, geldt in de gegeven omstandigheden ook voor het Oranjehuis. Dit standpunt staat geheel los van onze houding ten aanzien van de ontwikkeling van de politieke opvattingen van het Nederlandse volk.

Wat nu die ontwikkeling van de politieke opvattingen betreft, herhaal ik nogmaals dat wij niet in dit land gekomen zijn om de eigen Nederlandse cultuur onder druk te zetten of de Nederlanders onze kijk op de wereld op te dringen. Integendeel, van het standpunt van de bezettingsmacht gezien zou het vanzelfsprekend zijn, en eenvoudiger, om iedere politieke meningsuiting in woord of geschrift te onderdrukken; dit gebeurt niet. Zolang zich geen ernstige vergrijpen tegen de essentiële belangen van de bezettingsmacht voordoen, kunnen alle kranten zonder meer blijven verschijnen en worden deze ook inhoudelijk in hun eigen belang en dat van het Nederlandse volk slechts in zoverre ingeperkt, als met het oog op de vereisten van de bezettingsmacht noodzakelijk lijkt. Als de pers dienovereenkomstig een zekere zelfbeheersing aan de dag legt, dan zal deze of gene wellicht missen wat hij tot nog toe interessant vond, maar zal deze zelfbeheersing op de lange duur alleen maar nuttig blijken, en zullen alle verstandige lieden eens betreuren dat de Nederlandse pers niet al eerder, ten tijde van haar zogenaamde neutraliteit, een zodanige zelfbeheersing heeft getoond.

In dit verband kom ik nu op de maatregelen die bij de vrije vakbonden en de marxistische organisaties noodzakelijk waren. Voor het geval dat iemand het verwonderlijk vindt dat zulke maatregelen zijn genomen, moet ik zeggen dat het hooguit verwonderlijk is dat ze niet al veel eerder – namelijk op de eerste dag van de bezetting – zijn genomen. Ik ben van mening dat die organisaties voor hun leden, die immers merendeels tot de kringen van de arbeiders en het kantoorpersoneel behoren, nuttige dingen tot stand kunnen brengen en dat vooral de leden van deze organisaties niet van de vruchten van geleverde prestaties mogen worden beroofd. Ik heb daarom deze organisaties niet eenvoudigweg opgeheven, maar besloten om slechts door het aanstellen van een nieuwe leiding de zekerheid te verkrijgen dat die invloeden en gevaren worden uitgeschakeld, die men onder een nationaal-socialistisch bewind onmogelijk de vrije hand kan laten. [...]

Ik neem velerlei pogingen waar tot groepering, concentratie genaamd. Ik volg al die pogingen met welwillende belangstelling en zal hun niets in de weg leggen, tenzij het simpelweg pogingen zijn om in een of andere vorm de opvattingen te doen voortbestaan of herleven die het Nederlandse volk per slot van rekening naar de 10de mei 1940 hebben gevoerd. Het voortbestaan van die opvattingen kan ik – vanuit het standpunt van de bezettingsmacht maar ook in het belang van het Nederlandse volk – zolang deze bezetting duurt niet willens en wetens dulden, want een 10de mei 1940 mag zich tussen het Duitse en het Nederlandse volk nooit meer voordoen. Eén ding zou ik echter willen zeggen: binnenlandse politieke bewegingen of de ontwikkeling van politieke denkbeelden kunnen nimmer verwachten door mij als vertegenwoordiger van de bezettingsmacht te worden goedgekeurd, maar kunnen deze goedkeuring slechts verkrijgen doordat zij het Nederlandse volk van de juistheid van hun weg overtuigen. Wat ik hierover zeg is geen voorschrift en zelfs geen wens, maar een advies op grond van de ervaring die wij in een langdurige politieke strijd hebben opgedaan en die niet automatisch kan worden toegepast, maar waarmee men toch wel zijn voordeel kan doen: de bundeling van de krachten van een volk kan nooit het resultaat zijn van een combinatie van verschillende programma's, waarbij de uitgangspunten zo ruim mogelijk worden opgevat en daardoor vaag worden, opdat iedereen er op een of andere manier maar een plaats in kan vinden.[...]

Zeker: voor Nederland heeft het uur van de waarheid geslagen. Wij begrijpen volkomen dat nog maar zelden een volk in zo korte tijd uit heel zijn vertrouwde situatie is weggerukt en geconfronteerd met nieuwe feiten, die om een nieuwe, moedige, in sommige opzichten misschien zelfs revolutionaire instelling vragen. [...]

Het is voor een nationaal-socialist schokkend om te zien hoeveel werklozen er in dit land zijn; niet alleen omdat zij niet over een vol arbeidsloon beschikken, want de rijkdom, die toch geen onvergankelijk goed is, heeft het mogelijk gemaakt de werklozen tenminste een schamel levensonderhoud te verschaffen. Maar dat een zo ongelooflijk groot deel van de volksgenoten niet werkt, maar van de bijstand leeft, en dat zodoende de arbeid is gedegradeerd tot de categorie van puur materiële waarden die door geld kunnen worden gecompenseerd, dat is schokkend. Daaruit komt men gemakkelijk tot een aanpak die sociaal beleid wordt genoemd, maar die eigenlijk niets anders is dan een kalmerend middel op politieke grondslag, dat de welgestelden de onbemiddelden toedienen. Daarbij gaat volkomen het besef verloren dat de arbeider een volksgenoot met gelijke rechten maar ook plichten is als ieder ander, en dat er in de eerste plaats een recht is op werk – tevens een plicht om te werken –, niet een recht op steun. Kortom: het begrip van de eer en de waardigheid van de arbeid gaat verloren.

[...]

Op dit ogenblik, nu Nederland zich bevindt in het gebied waar zich de militaire operaties van deze krachtmeting met Engeland zich afspelen, spreekt vanzelf dat de verordeningen van de bevelhebber van het Duitse leger met de grootste nauwlettendheid moeten worden opgevolgd. Iedere steun aan de vijand, hoe gering ook, wordt met de dood bestraft. Bovendien zal het Duitse volk steeds scherp opletten welke houding het Nederlandse volk voortaan aanneemt. Daarvan zal het in de eerste plaats afhangen welke plaats en welke betekenis het lot in de toekomst voor Nederland in petto heeft. Deze verhelderingen leken mij op dit moment noodzakelijk, nu het er werkelijk op aankomt. [...]

In dit uur bundelt heel het Duitse volk al zijn wensen, alle bereidheid en doodsverachting in de uiterste inzet in zijn leger, dat, gedragen door de wil en de krachten van heel de natie, vastberaden zal aantreden voor de beslissende strijd. Wij allen zijn nu in de hand van de Führer. Wie in de hand van de Führer is, is zeker van de overwinning.

Dit is de zesde aflevering van een serie waarin uit alle decennia van deze eeuw een voor dat decennium kenmerkend artikel c.q. toespraak gepubliceerd wordt.