Trou moet blijcken

Gedichten over moeders en hun kinderen, daar wil wel eens valse sentimentaliteit in kruipen. Gelukkig hebben we de moedergedichten van Elsschot, gelukkig hebben we het moedergedicht Moedertjie-meisietjie van Wilma Stockenström. Bij het laatste gaat het om de relatie tussen een moeder en haar dochter, toch weer een heel andere relatie dan tussen een moeder en een zoon. Het gedicht is er niet minder onopgesmukt, genadeloos en aangrijpend om.

Relatie is een groot woord. Eigenlijk verklapt de dichteres alleen in de eerste regel iets over haar eigen gedroomde aandeel –

Moeder, was jy maar my moeder

– voor de rest is het een ontkleding, een letterlijke `tentoonstelling' van de ander. De moeder is een moedertjie-meisietjie gebleven, een lachwekkende vrouw die in de verkeerde tijd, in het verkeerde tabberdje en in de verkeerde dromen leeft.

Meisietjie is het verkleinwoord van meisie. En meisie komt weer van meisje, dat in het Nederlands vanouds natuurlijk al een verkleinwoord was. Dat gevoel moet er in Zuid-Afrika zijn afgesleten. Het zal daar met meisie-meisietjie gegaan zijn als met het Nederlandse schoen dat in de Middeleeuwen een meervoud was (één schoe, twee schoen). Toen het bewustzijn van die meervoudsvorm eenmaal verloren was gegaan (ook door analogie met andere woorden) ontstond er ruimte voor schoenen. Een dubbel meervoud, zoals meisietjie een dubbel verkleinwoord is.

De dochter laat de moeder in haar eigen verschilferde handspiegeltje kijken –

daardie verkreukelde papawermond,

het dit kindervoorkoppies gesoen?

– een kunstgreep waarmee we in het kijken beland zijn, een kijken dat uitsluitend is gefocust op de moeder. De positie van de dochter is licht en vluchtig geworden, afstandelijk, een positie die wordt gekarakteriseerd door woorden als ingedagte, stuifmeel, doodverbaas, vingertoppe – het is duidelijk de bedoeling dat ditmaal de moeder aan de beurt is. Jy, jy. De dichteres herinnert zich hoe haar moeder haar uitstalde als pap baba, als slappe baby, en hoe er met haar werd gespeeld als met een pop, waarbij ze suggereert dat de moeder dit louter uit koketterie deed en om de mannen te behagen. Nu zet de dochter, omgekeerd, haar moeder als een speelgoedje in de uitstalkast.

Op my beurt vertoon ek jou

aan vriende. Kyk, sê ek, 'n verwelkte meisie

– ze dwingt ons te kijken. Het beeld van een verwelkt meisje op een stokkerige stengel maakt de moeder letterlijk tot spil van ons blikveld.

Dan wordt de dochter pas echt geniepig of, zoals ze in het Afrikaans zeggen, geniepsig. Sinds ik dat woord voor het eerst hoorde ben ik het blijven gebruiken. Geniepsig klinkt zoveel... hoe zal ik het zeggen? zoveel geniepsiger dan geniepig. Nu wordt de dochter dus pas echt geniepsig.

De slappe witte blaren, de pijnlijke plooitjes, het uitvallende kroontje – we krijgen een anatomische les over de status van de stengel. De moeder wordt een ding. Er wordt mee geschoven en gemanipuleerd, ze staat te kijk op een draaiplateau. Wraak is pas compleet wanneer de objectivering compleet is. Dat is ook het punt waarop de ondraaglijkheid intreedt. Maar de dichteres deinst niet terug.

Nou's jy my poppie, moeder. Doedoe

– ze gaat er zelfs tegen praten als tegen een pop. De rollen zijn omgekeerd. De dochter is de moeder van de vrouw. Toe maar, toe maar vervolgt ze nog – het is tegen een baby praten met een voorhamer.

Het effect van de kijkdoos waarin de moeder als willoze automaat aan de wereld wordt getoond, dat is wat het gedicht genadeloos maakt. Wat het aangrijpend maakt zijn de suggesties van het erotische profiel van de moeder – terloopse, maar effectieve suggesties: de vaders (meerdere mannen), de skalksheid, de sensasie snags. Dat broeit geheimzinnig in dat uitgemergelde zemellijf. Hoe het lijf van haar moeder er onder haar nachtjurk uitziet, dat weten `net ek en my vaders, net ons', zegt de dichteres. Alleen ik en mijn vaders, alleen wij. Intussen weten wij het allemaal. Alles. Drastisch.

Doedoe. Doedoe. Doedoe

– een passende doodklap sluit dit springlevend gedicht af. Drie gongslagen. Einde van de voorstelling.