Servische niet boos om afwijzing

De studente Jelena Dacic is niet welkom op de Arnhemse academie voor bouwkunst omdat ze uit Servië komt. Dacic: ,,Ik wil geen woede of haat voelen, want doordat mensen elkaar haten is deze oorlog begonnen.''

Boos was ze niet, wel een beetje verdrietig, toen de Servische aspirant-studente architectuur Jelena Dacic (19) de afwijzingsbrief kreeg voor de Arnhemse academie van bouwkunst, vertelt ze in het Engels door de telefoon. Academie-directeur Carp schreef dat hij haar niet kon aannemen omdat ze niet aan de toelatingseisen voldeed.

Maar hij voegde er nog een ,,persoonlijke reden'' aan toe. Een studente afkomstig uit een land waarmee Nederland op dat moment in oorlog is, is niet welkom.

De directeur schreef haar dat hij gedurende vijf jaar een gevluchte Kosovaarse student onderdak had geboden. Daardoor had hij alle ellende die het Servische regime voor die jongen had veroorzaakt van dichtbij kunnen volgen. Dacic: ,,Ik voelde me machteloos toen ik dat las, omdat ik niet het gevoel heb verantwoordelijk te zijn voor de Servische politiek. Je hebt hier in Servië twee partijen. Een deel van de bevolking staat lijnrecht achter Miloševic en dus achter de oorlog. Een ander deel houdt zich liefst verre van politiek, en daartoe behoor ik.''

Toch verwijt ze Carp zijn standpunt niet.

,,De schuld ligt bij degenen die deze oorlog hebben veroorzaakt. Ik wil geen woede of haat voelen, want doordat mensen elkaar haten, is de oorlog begonnen. Bovendien, als hij me wél had aangenomen, zou dat voor ons allebei een zeer ongemakkelijke situatie hebben opgeleverd.''

Ze woont met haar ouders — haar vader geeft karateles en haar moeder is huisvrouw — en drie jongere zussen in de Servische stad Novi Sad. Een deel van de stad is gebombardeerd, maar haar huis staat er nog, zegt Dacic. Ze bracht de afgelopen twee maanden grotendeels door in de schuilkelder. ,,Als er werd gebombardeerd, gingen we naar beneden. Ik probeerde zoveel mogelijk aan andere dingen te denken door me te concentreren op een boek of door te tekenen. Het liefst luisterde ik naar muziek, maar dat kon alleen als er elektriciteit beschikbaar was.''

Tot de NAVO begon met het bombarderen van Joegoslavië ging Dacic naar de middelbare school, waar ze de afgelopen vier jaar naast `gewone' vakken ook verschillende vakken op het gebied van architectuur volgde. Ondanks de oorlog heeft ze het eindexamen gehaald en het eindwerkstuk ingeleverd. Trots: ,,Voor dat werkstuk had ik een tien.''

Het was haar droom om daarna een tijdje in Nederland studeren. Vlak voordat de oorlog begon, schreef ze vanuit Novi Sad de Arnhemse academie aan met een verzoek om toelating. Ze had van vrienden gehoord dat het een goede academie was. Waarom ze juist naar Nederland wilde, vindt ze lastig te verklaren. ,,Ik hoorde dat jullie prachtige huizen hebben en goede docenten. Bovendien hebben een paar familieleden een aantal jaar in Nederland gewoond. Zij waren heel enthousiast.''

Novi Sad heeft sinds enkele jaren ook een academie voor architectuur, al is die volgens Dacic niet erg bekend. ,,Het is heel moeilijk om goede docenten te vinden. De salarissen zijn zo abominabel slecht dat ze, als het even kan, naar het buitenland vertrekken.''

Toch heeft Dacic zich nu daar aangemeld. Ze wil zoveel mogelijk leren en dan proberen om volgend jaar opnieuw tot een Nederlandse academie toegelaten te worden, al zal ze dan niet voor Arnhem kiezen.

Een ding weet ze zeker: ,,In Servië zullen architecten voorlopig broodnodig zijn om te helpen het land weer op te bouwen.''

En in Kosovo? ,,Als de Kosovaren het accepteren, werk ik graag ook voor hen.''