Politiek misbruikt het Planbureau

De voorzitter van de programmacommissie van D66, Michiel Scheffer, meent dat het model waarmee het CPB verkiezingprogramma's van partijen doorrekent onpartijdig is en gaan de rekenaars uit Den Haag zorgvuldig en discreet te werk (NRC Handelsblad, 15 juni). Zeker, er is geen enkele reden om daar aan te twijfelen. Maar een lofzang op het CPB en haar modellen gaat voorbij aan de kritiek die onder andere vanuit academische kring al jaren wordt geplaatst bij het gebruik van CPB modellen in de Nederlandse beleidsdiscussie. En die kritiek is een stuk steekhoudender dan van CDA-kamerlid Hillen, die het CPB eerder in deze krant op een flauwe manier partijdigheid verwijt.

Allereerst is er de onnauwkeurigheid en onzekerheid van de uitkomsten. Dat is een bekend probleem en het CPB is de eerste om dat te erkennen. De tweede soort beperking wordt minder vaak onder ogen gezien, namelijk het feit dat heel veel beleidsvoorstellen simpelweg niet kunnen worden doorgerekend. De bijdrage van minister Zalm aan Paars I, het op orde brengen van het financieringstekort, kan prima door het rekenmodel worden geëvalueerd. Het financieringstekort wordt zonodig tot drie cijfers achter de komma geleverd. Maar het bevorderen van economische dynamiek en marktwerking, de inzet van Hans Wijers, kan nauwelijks met het CPB-model worden doorgerekend. De CPB-modellen zijn niet iedere bewindspersoon even goed gezind.

Deze beperkingen zullen zich ook laten gelden bij de doorrekening van de verkiezingsprogramma's die nu worden geschreven. Scheffer geeft zelf de beste voorbeelden, als hij het sociaal-liberale beleid van D66 uiteenzet. Volgens hem is lastenverlichting als bron van werkgelegenheidsgroei zo langzamerhand uitgeput en zullen de beleidsaccenten verschoven moeten worden naar kwalitatief goed onderwijsbeleid, actieve integratie van allochtonen en reintegratie van arbeidsongeschikten en langdurig werklozen. Dit is typisch beleid dat nauwelijks in de vorm van een CPB-model gegoten kan worden.

Om de beperkingen van de rekenmodellen te compenseren is het aan te bevelen dat het CPB haar kwantitatieve analyses aanvult met kwalitatieve analyses waarin een beoordeling wordt gegeven van beleid dat niet met het model kan worden doorgerekend. Er komt dan ook meer aandacht voor effecten op lange termijn.

Vanwege het politieke belang passen partijen de inhoud van hun programma aan aan de mogelijkheden van het rekenmodel. Desnoods alleen op korte termijn, waar goede cijfers mee kunnen worden gehaald.In dat opzicht zijn politici net de rationele nut-maximaliserende individuen die aan het rekenmodel van het CPB ten grondslag liggen. Maar of op deze manier voor de kiezer duidelijker wordt waar partijen nu echt voor staan, valt ernstig te betwijfelen.

Drs. U. Kock is als econoom verbonden aan de Vrije Universiteit en het Tinbergen Instituut.