Pak Rusland harder aan

In tegenstelling tot wat de ontmoeting tussen de Westerse leiders en president Jeltsin tijdens de G8-top in Keulen vorig weekeinde deed vermoeden, zijn de verhoudingen tussen het Westen en Rusland allesbehalve goed, meent Nina Chroesjtsjeva. Het Westen zou Rusland eens wat minder met fluwelen handschoenen moeten aanpakken.

Het Westen verkeert in verwarring over de rol van Rusland in Kosovo. Juist toen de NAVO de overwinning vierde, voerde kolonel-generaal Viktor Zavarzin onverwachts en zonder waarschuwing een colonne van 200 Russische paratroepen naar Priština.

Maar die verwarring is ongegrond. De gewezen supermacht laat, net als haar wankelende president, geen gelegenheid onbenut om zich als een belangrijk speler op het wereldtoneel te doen gelden.

Een zwakke gezondheid, `fysiek, economisch en politiek', is voor Boris Jeltsin en Rusland een droeve realiteit. Intussen schrikt de wereld dagelijks wakker met de vraag wat voor nieuwe buitenissigheden Rusland nu weer zal begaan om zich in de internationale arena te bewijzen.

Vergeeft u me als ik poneer dat dit althans ten dele de schuld van het Westen is. In plaats van Ruslands status in de wereld en zijn relatie tot het Westen duidelijk te benoemen, spelen de Verenigde Staten, Engeland en anderen een prestigespelletje met het land van Jeltsin.

Zodra Rusland erkenning eist, geeft het Westen grif toe. De crisis rond de NAVO-uitbreiding is bijgelegd met een uitnodiging aan Rusland deel te nemen aan de G7+1-top in 1997. Toen in maart de bombardementen rond Kosovo begonnen, vloog directeur Michel Camdessus van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) naar Moskou om er verder te praten over de IMF-lening van 4,5 miljard dollar. Om zich van Moskou's goede wil te verzekeren ging het Westen zelfs verder: opeens werd de G7+1 tot de G8 (de zeven grootste industrielanden plus Rusland). Rusland, ,,een land met een failliete economie'' werd plotseling een industriemacht. En bijgevolg boden de Russen hun samenwerking inzake Kosovo aan.

Het vervelende is echter dat deze politiek van mededogen niet het probleem oplost dat het Russische optreden bepaalt: de vergane glorie. De dreigementen die het Kremlin in maart uitte: ,,Wij zullen onze Servische broeders met eigen troepen te hulp komen'', ontbeerden elke praktische grond. Rusland heeft eenvoudig niet de middelen of de kracht voor welke oorlog dan ook, in eigen land of daarbuiten.

Als impotente mogendheid zonder enige macht wil Rusland in elk geval toch van zich doen spreken en daartoe kiest het een uit de Koude Oorlog vertrouwde weg: het continu veroorzaken van problemen. Toen de Kosovo-crisis begon, zat het feit dat ze niet waren geïnformeerd de Russen meer dwars dan de bombardementen zelf. ,,We willen erbij betrokken worden'', riepen ze benard. Het was een ijselijke noodkreet van iemand die het vermoeden heeft dat de wereld ook zonder hem wel doordraait en die doodsbang is om alleen achter te blijven. Prompt werden ze gehoord en mochten ze meedoen: Viktor Tsjernomyrdin werd bijzonder gezant.

Maar had het Westen wel echt behoefte aan Tsjernomyrdins hulp? In symbolische zin misschien wel, om te laten zien dat de tijden van vroeger, de Koude Oorlog, voorbij zijn (althans voor het Westen), en dat we ondanks bepaalde meningsverschillen toch allemaal kunnen samenwerken. In de praktijk hoogstwaarschijnlijk niet. Dinsdag nog werd bericht dat toen Tsjernomyrdin ,,geen vorderingen maakte'', een Londense bankier is gebruikt als achterdeur-contact. Bovendien schiep de bemoeienis van Tsjernomyrdin een nieuw dilemma: hoe moet de verantwoordelijkheid voor de vredeshandhaving in Kosovo worden gedeeld wanneer de Russen weigeren zich onder NAVO-commando te stellen? Er zijn allerlei regelingen voorgesteld – alle militairen onder VN-auspiciën, een aparte zone onder supervisie van Rusland. En al die moeite omdat het Westen in zijn goedertierenheid inzag dat Rusland er nu eenmaal graag bij wilde horen.

Wat het niet inzag, is dat Rusland lijdt aan een ernstige overmaat aan eigendunk. Het gelooft in zijn recht op het lidmaatschap van de G8, in zijn onontbeerlijkheid als vredeshandhaver. Het meent ook dat het onverwachts en onaangekondigd troepen Kosovo in kan sturen: als de NAVO gaat bombarderen zonder ons iets te zeggen, gaan wij de vrede handhaven zonder hun iets te zeggen.

Ik moet zeggen dat ik het Westen bewonder om de ruimhartige manier waarop het zijn vroegere erfvijand toestaat zijn gezicht te redden. Maar gezien de nog steeds toenemende ontreddering van Rusland dreigt deze geldingsdrang gevaarlijk onbeheersbaar te worden.

Vroeger veroorloofde alleen Jeltsin zich dreigende uitspraken om de belangrijkheid van het gewezen wereldrijk kracht bij te zetten. Nu eigenen ook kolonels-generaal zich die bevoegdheid al toe. Gezien de verwarde reactie van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken is het zonneklaar dat Zavarzin zijn troepen zonder voorafgaand overleg naar Kosovo heeft gestuurd. Hoewel militaire functionarissen beter op de hoogte leken van deze demarche, heeft Zavarzin die hoogstwaarschijnlijk zelf op touw gezet, uit wrok tegen het Westers bondgenootschap.

De schrikbarende conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat willekeurige besluiten tegenwoordig blijkbaar kunnen worden genomen door iedereen die zijn kans daartoe ook maar enigszins schoon ziet. Het aantal kernkoppen dat Rusland bezit, maakt de vinger van Jeltsin op de lanceerknop overbodig: daar kan iedereen op drukken.

En zolang het Westen Rusland zijn zin blijft geven in zijn verlangen naar grootheid en erkenning, is er geen peil op te trekken wat straks weer zal gebeuren. Het jongste incident op het vliegveld van Priština is een waarschuwing aan het Westen om zijn beleid van mededogen te heroverwegen en de Russen te verstaan te geven dat ze zich aan de internationale regels dienen te houden; en dat bij weigering een nieuwe containment-politiek hen misschien tot inkeer zal brengen.

Nina Chroesjtsjeva is verbonden aan het East-West Institute in New York.

©LAT-WP Newsservice