Militaire precisie en zigeunerachtige flair

Elliott Carter werd geboren in 1908, Charles Wuorinen in 1938 en Jay Allan Yim in 1958. Maar wie daaruit op het concert van het Arditti strijkkwartet tijdens het festival American Adventures iets zou willen afleiden kwam bedrogen uit. De jongste is zeker niet de meest avant-gardistische.

Yim viel op in de Gaudeamus Muziekweek in 1987 waar de jury twee ensemblestukken van hem had geselecteerd: Furiosamente en Moments of Rising Mist. In Autumn Rhythm, naar het gelijknamige doek van action painter Jackson Pollock, gaat het er én furieus én mistig toe. Het begint ijl en ijzig, wordt opeens rock-achtig ruw, wisselt dat af om het vervolgens te zoeken in felle akkoorden waaruit glissandi in alle hoeken en gaten schieten. Het effectvolst is een neoromantische vioolsolo tegen het eind.

Aan de Arditti's was het zeer besteed, zowel de zigeunerachtige flair van de solo als het militair precisie-bombardement zonder onnodige notenslachtoffers. En jawel, ook de hier minder bekende David Felder (1953) ging in het strijkkwartet Third Face (1988-1989) uit van grote tegenstellingen in een zo mogelijk nog scherper gesneden montagecontrast, effectvol in de flemend fluitende flageoletten aan het slot.

Toen het Radio Kamerorkest in het Holland Festival zijn Journal speelde als opening van een door Jaap Drupsteen gevisualiseerd programma, trof daar het uiterste van een ratelende rockwoede gedomineerd door een brutaal scheurende trombone en opgejaagd in slagwerkexaltatie. Aan het slot echter veel zoete strijkers met een nog zoeter celesta-toefje er bovenop. Omdat het minder goed gespeeld werd viel het clichékarakter op, terwijl nu de Arditti's de zwakke plekken wegspeelden.

Nee, dit concert bracht de triomf van de oudere generatie. Wuorinens Quintet (1993-1994) in vier delen stikt van de kriebelende kleine figuurtjes in de piano die als insecten op de dikhuid van het symfonisch behandelde strijkerskwartet krioelen. Een robuust retorische muziek ondanks al die kleine figuurtjes, ernstig als een hedendaagse Schönberg. Zo klinkt een Intermezzo allerminst luchtig, het lukt de componist zelfs niet dit te suggereren, maar hoe karaktervol en krachtig is zijn muziek, hoe groots en grandioos.

Het beste was een Europese première: het Piano Quintet (1998) van Elliott Carter. Zoals steeds bij deze componist zijn de instrumenten herkenbare figuren die hun eigenheid bewaren in een soort van muzikaal drama. Zo gedraagt de altviool zich steeds ernstig zangerig en sproeit de piano fonteinen aan noten. Ditmaal geen enkele drammerigheid, de strijkers steeds elegant in fraaie dichte akkoorden, vaak strak aanstellend, nimmer hoekig, zeldzaam virtuoos à la Boulez, geestig het slot.

Kortom, componisten als Wuorinen en Carter hebben geen macho-contrasten nodig, een herkenbare stijl en gestiek is genoeg. Uiteindelijk echter is niet te zeggen wat Carter tot een `aangeraakte' maakt. Het geheim van het genie laat zich niet ontsluieren. Het geheim van een goede uitvoering is minder raadselachtig, de Arditti's beheersen een groot gebied aan articulatiemogelijkheden, die de pianiste Ursula Oppens helaas mist. Zij speelt prachtig, helder en licht, maar er is geen agressie en te weinig schakering in het forte, vandaar dat er op dit hoge niveau toch iets wrong.

Concert Arditti String Quartet. Werken van Yim, Wuorinen, Felder en Carter. Gehoord: 22/6 Concertgebouw, Amsterdam.