Instituut voor Beeldcultuur krijgt geen vrolijke start

De vestiging van het beeldinstituut in Rotterdam zal niet zonder pijn gaan. Maar terugdraaien van het voorlopig besluit lijkt onwaarschijnlijk.

Amsterdam heeft de slag verloren. Het Instituut voor Beeldcultuur (IBC) gaat naar Rotterdam. Althans, dat is het voorlopige besluit van staatssecretaris Van der Ploeg. De directeuren van de vijf betrokken instellingen (vier in Rotterdam, de vijfde het Filmmuseum uit Amsterdam) moeten voor 1 oktober een gedetailleerd plan maken. Pas na goedkeuring door de Tweede Kamer zal Van der Ploeg zijn definitieve besluit kunnen nemen. Het uitstel geeft hem tijd om ook nog eens het met Prins Bernhard Fonds (PBF) om de tafel te gaan zitten. Het PBF heeft met de 25 miljoen gulden uit het Wertheimerlegaat dat aan de basis ligt van de plannen voor het IBC, nog altijd een van de sleutels voor het welslagen in handen. Het PBF zag het geld liever in Amsterdam besteed maar moet zich nu afvragen of die voorkeur wel staande te houden is. Er zijn, afgezien van de weerstand die de voorgenomen verhuizing van het Filmmuseum naar Rotterdam zal oproepen, dus nog de nodige obstakels te nemen. Maar de voortvarendheid waarmee Rotterdam tot nu toe heeft gewerkt, maakt het mislukken van de eindsprint niet erg waarschijnlijk.

Het enthousiasme en de daadkracht van Rotterdam hebben de doorslag gegeven, aldus Van der Ploeg. Dat argument wordt in Amsterdam niet geaccepteerd. Geen wonder, want het mislukken van de Amsterdamse inzet is in de eerste plaats aan die stad zelf te wijten. `Een zwarte dag voor de Amsterdamse film- en fotocultuur`, noemde cultuurwethouder Saskia Bruines het besluit van Van der Ploeg in een eerste commentaar. Begrijpelijk, maar ook een beetje hypocriet. De gemeente heeft jarenlang het Filmmuseum laten aanmodderen met zijn huisvestingsproblemen. En de vraag van Van der Ploeg om plannen inzake het IBC, al gesteld in januari, werd pas kort voor de sluitingsdatum in maart serieus genomen. Geen wonder dat het resulterende plan weinig overtuigend en allebehalve consistent was. Terecht werd het door de Raad voor Cultuur afgewezen. Dat Amsterdam begin deze maand nog eens met een toelichting meende te moeten komen, zegt genoeg.

Wat de fotografie betreft: de geschiedenis heeft zich herhaald. Net als tien jaar geleden, toen het Nederlands Foto Instituut en het Nederlands Fotoarchief door de afwachtendheid van de gemeente in Rotterdam werden gevestigd, is Amsterdam opnieuw niet in staat geweest nieuwe culturele instellingen van de grond te tillen. Tragisch maar waar: de culturele metropool moet het vooral hebben van traditionele musea als het Rijksmuseum, Van Gogh en Stedelijk.

De frustratie over de gebeurtenissen van tien jaar geleden zijn nog altijd niet verwerkt in de (Amsterdamse) fotogemeenschap, getuige ook de emoties die het Wertheimerlegaat losmaakten. Van der Ploegs besluit zal het er niet beter op maken. Een echt vrolijke start zal het Rotterdamse instituut in oprichting dan ook niet maken.

In de titanenstrijd waarin de discussie over het Wertheimerlegaat is ontaard, heeft de inhoud het meer en meer af moeten leggen tegen de historische en lokale emotie. Ook nu weer dreigt vergeten te worden dat Van der Ploegs besluit meer behelst dan een keuze voor Rotterdam alleen. Hij legt in navolging van de Raad voor Cultuur nadruk op samenwerking, zowel met Amsterdamse als met regionale instellingen. Uit de eerste reacties is af te leiden dat Van der Ploegs boodschap is overgekomen, maar of er ook daadwerkelijk iets mee gebeurt moet nog blijken. Zeker de fotowereld heeft de afgelopen maanden weinig blijk gegeven van openheid, bedachtzaamheid en souplesse. Toch ligt daarin de belangrijkste sleutel. Lokale emoties moeten worden ingeruild voor constructieve samenwerking. tenslotte moet het IBC een landelijke instelling worden en niet een Rotterdamse.