In Kosovo worden de naambordjes nog een keer gewisseld

In het Kosovaarse stadje Pec worden de Servische naambordjes vervangen door Albanese. `Kosovo wordt gezuiverd van Serviërs, met hulp van de NAVO.'

Kwart voor twaalf 's avonds gaat de bel. Drie UÇK-soldaten staan voor de deur van de flat, in het centrum van de Kosovaarse stad Pec. Ze zoeken de Servische eigenaar. Die is er niet, de man vluchtte vorige week naar de Joegoslavische deelrepubliek Montenegro en verhuurde zijn flat aan journalisten. De UÇK-soldaten, bewapend met een pistool en een mes, willen de identiteitskaart zien van een Albanese tolk – hij zou een Servische spion kunnen zijn. De tolk weigert, het UÇK is de politie niet. De soldaten worden kwaad, ze dreigen en schelden. Een van de UÇK-soldaten rukt het Servische naamplaatje van de deur en zegt: ,,Waarom hangt dit er nog, als er geen Serviërs meer in dit huis wonen?'' Ze gooien de voordeur met een klap dicht.

Om drie uur die nacht belt een Servische buurvrouw op. Ze woont in een ander appartementenblok. UÇK-soldaten, zegt ze, zijn het flatgebouw binnengedrongen. De deur van het gebouw was op slot, maar de soldaten moeten een sleutel hebben gehad. Ze hebben, zegt de vrouw, een Servisch echtpaar meegenomen. ,,En nu hoor ik ze bij onze voordeur.'' Ze hangt snel op.

Volgens metropoliet Amfilohije, de leider van de orthodoxe kerk in Montenegro die nu in Pec verblijft om de Serviërs van Kosovo te steunen, werden de afgelopen dagen zo'n veertig Servische burgers ontvoerd. Elf lijken van Serviërs werden gevonden. Een paar honderd Servische burgers vluchtten de afgelopen week naar het klooster, net buiten de stad, dat wordt bewaakt door Italiaanse soldaten van vredesmacht KFOR.

De drie UÇK-soldaten gaan ook 's ochtends nog langs de flats in het centrum van de stad. Een oude Albanese man laat hen zien waar nog Servische families wonen, en welke Servische appartementen leeg staan. In onze flat wonen de volgende ochtend nieuwe buren: teruggekeerde Albanese vluchtelingen. Ze hebben hun naam over de Servische naambordjes heen geplakt. De huizen staan toch leeg, zeggen ze, en hun eigen huis werd twee maanden geleden platgebrand door Servische paramilitairen. Ook in andere wijken van de stad worden lege huizen van Serviërs ingenomen door Albanezen. Ze plakken briefjes op de voordeur met hun naam erop.

In de tuin van de orthodoxe kerk van de stad Djakovica, bijna veertig kilometer ten zuiden van Pec, zitten acht oudere, Servische vrouwen. Ze werden, vertellen ze, de afgelopen vier dagen lastig gevallen en bedreigd door Albanese burgers en UÇK-soldaten. Om kwart over één maandagnacht beukten twee gewapende UÇK-soldaten de deur in van het huis van Nada Isajovic (68). De ene droeg het zwarte uniform van de UÇK-politie, de ander had een groen uniform. Nada Isajovic: ,,Ze gooiden mijn meubels en mijn wasmachine op straat, ze lieten mijn duiven wegvliegen. Ze zwaaiden met een mes voor mijn buik en dreigden dat ze me zouden opensnijden als ik niet snel wegging.'' Sinds die nacht slaapt Nada Isajovic in de kerk.

Jela Miovic (70) zegt dat er dinsdagochtend twee Albanese mannen bij haar kwamen. ,,Een van hen stak twee vingers in mijn ogen en zei: `Jij hebt misdaden gepleegd'.'' `s Middags kwamen een Albanese man en een vrouw bij haar langs. ,,Ze zeiden dat ze een huis nodig hadden, omdat hun eigen huis in puin lag.'' Naast Jela Miovic zit Kata Jovanovic (62). Ze huilt en wrijft in haar handen. Drie dagen geleden, zegt ze, werd haar man Mile (70) meegenomen door twee Albanezen in zwarte leren jassen. Ze kwamen om vijf uur `s middags. ,,Een van de mannen zei dat hij politieman was, hij vroeg om onze wapens. Mijn man zei: die hebben wij niet. De politieman wilde water drinken. Ik gaf het hem, hij dronk zijn glas leeg en zei: `Kom even vijf minuten naar buiten, oude man, om te praten'.'' Daarna heeft Kata Jovanovic haar man niet meer gezien.

Gisterochtend brachten Italiaanse KFOR-militairen vijfentwintig Serviërs in een legertruck van Djakovica naar Pec. De Serviërs, bijna allemaal oudere vrouwen en een paar mannen, werden de afgelopen dagen uit hun huizen gezet. Ze willen van Pec doorreizen naar familie of vrienden in Montenegro.

Een van de vrouwen die door de Italianen werden weggebracht, is Radka Dasic (56). In haar huis woont nu een Albanese vrouw, Fatmire Axhanela, met haar drie kinderen. Fatmire Axhanela zegt dat het UÇK haar het huis van Radka Dasic toewees. Haar eigen huis was platgebrand, Axhanela zat twee maanden in een vluchtelingenkamp in Albanië en kwam begin deze week terug.

Op het UÇK-hoofdkwartier in Djakovica zegt plaatsvervangend commandant Mehmet Ali Perolli dat er een groot probleem is: de binnenstad van Djakovica is zwaar verwoest door de Serviërs, en de Albanese vluchtelingen die terugkeren moeten onderdak hebben. ,,Maar ik verzeker u: niemand van hen slaapt 's nachts buiten.'' Of het waar is dat het UÇK de vluchtelingen in Servische huizen laat wonen? De commandant staat op en loopt weg, hij wil niet verder praten. Zijn vertaler, Nexhat Musa (33), neemt het van de commandant over. ,,Nee, dat is niet waar'', zegt hij. ,,Die vrouw, Fatmire, liegt, ze zoekt een excuus omdat ze zich schaamt dat ze in een Servisch huis woont.''

Musa vindt het absurd om aandacht te besteden aan problemen van Serviërs. ,,Het gaat er nu om wat de Albanezen is aangedaan.'' Musa zelf had een restaurant in Djakovica, een motel en twee huizen. ,,Nu slaap ik in het huis van mijn moeder.'' En de Servische vrouwen die nu door Albanezen worden bedreigd, zijn die schuldig aan de verwoesting? Musa: ,,Die vrouwen hebben zelf misschien niks gedaan. Maar ze hadden hun zonen moeten tegenhouden.''

Vanochtend verlieten honderden Serviërs het klooster van Pec richting Montenegro. In konvooi, geëscorteerd door KFOR-troepen. Metropoliet Amfilohije staat bij de poort van het klooster. ,,Dit is de etnische zuivering van Kosovo, met hulp van de NAVO'', zegt hij. ,,De Serviërs worden gezuiverd, zoals eerder in de Krajina en Bosnië.''