In de onderbuik

AAN DE ONDERKANT van de economische piramide doen zich de stuitendste toestanden voor. Zwaar, vuil, ongezond en smerig werk. In diepe mijnen, in sloperijen, op plantages, in de afvalverwerking. Deze bezigheden staan ver af van de schone activiteiten in de dienstensector, de financiële wereld, de technologie-industrieën en Internet die de glamour van de moderne economie uitmaken. Enkele jaren geleden heeft de Braziliaanse fotograaf Sebastião Salgado arbeiders in de zwaarste en laagste beroepen in beeld gebracht. Adembenemende foto's uit verre Derde-Wereldlanden.

Nederland heeft zijn eigen smerigheid. De reportage Vette Handel in deze krant van afgelopen zaterdag bracht een onthutsende beschrijving van de sector `afvalvetten'. Veelal kleine bedrijfjes met een hoog vrijejongensgehalte, een plat normbesef en een laag toezichtniveau houden zich bezig met de verwerking van afval tot grondstoffen die weer aan het begin van de voedselketen belanden. Hun grondstoffen – van frituurvet tot de uitgespoten resten van schepen en de restanten van de kadaverdestructie – komen na verwerking tot veevoeder terecht in de bio-industrie en uiteindelijk in de producten die de consumenten uit de schappen van de supermarkt halen.

DE VETVERWERKENDE sector vormt de onderbuik van de voedingsmiddelenindustrie. En wat blijkt: Nederland is de draaischijf van deze handel in oliën en vetten in Europa.

Het toezicht hierop is niet optimaal. Dat erkenden ook de verantwoordelijke bewindslieden, staatssecretaris van Landbouw Faber (PvdA) en minister van Volksgezondheid Borst (D66), onlangs in twee brieven aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het `Belgische' dioxineschandaal. Geschrokken door de lawine van kritiek kondigden ze aan dat er onderzoek gedaan wordt naar de reststromen van vetten en dat er een commissie van deskundigen wordt ingesteld. Deze commissie moet vóór 1 oktober adviseren bij welke grondstoffen de risico's te groot zijn om gebruikt te worden in diervoeder, met name afvaloliën en afvalvetten. Niet alleen in Nederland, maar ook op Europees niveau zouden grondstoffen met een hoog risicoprofiel verboden moeten worden. Kennelijk gaat de bewindslieden een recente Europese richtlijn inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding die stelt dat deze van `gezonde handelskwaliteit' dienen te zijn, niet ver genoeg.

Toch kan Nederland zich niet louter achter `Brussel' verschuilen. Want het toezicht op de vetsmelterijen is vooralsnog een zaak van de nationale overheid. Dit toezicht bestaat uit langs elkaar heen werkende instanties die onder verschillende departementen vallen of zelfstandige bestuursorganen zijn – een bekend verschijnsel in Nederland. De overheid weet weinig van de branche van vetverwerkers af, beschikt niet over monitorgegevens en heeft geen kwaliteitsnormen om verontreiniging van diervoeding te voorkomen.

DE BEWINDSLIEDEN kondigden aan dat de overheidscontrole wordt versterkt. Dat is hoog tijd, maar het laat onverlet dat andere prioriteiten wenselijk zijn. Nederland heeft een pluimvee-, runder- en varkensstapel van een gargantueske omvang. Die vraagt om een permanente toelevering van diervoeding waardoor in de marge van de economie de branche van vetsmelterijen kan bloeien. Vanuit een andere invalshoek komt dat goed uit, want in het kader van het milieubeleid moeten afvalvetten steeds verder gerecycled worden.

Het ministerie van Economische Zaken publiceerde deze week een nota over industriële vernieuwing en de `digitale delta'. Zolang de Nederlandse industrie nog in het stadium van de vetsmelterijen zit, is dat parels voor de zwijnen gooien.