Hollandse films naar Cannes

Nederlandse cultuur is meer dan Rembrandt en Vermeer, zegt directeur Henk Pröpper van het Institut néerlandais in Parijs.

Met een bijzondere literaire ontmoeting sluit Henk Pröpper morgen, vrijdag, zijn eerste seizoen als directeur van het Institut néerlandais in Parijs. Onder de titel Deuxième génération? Première classe!, zullen Franstalige en Nederlandstalige immigrantenschrijvers in Parijs met elkaar discussiëren over tweede generatie-literatuur en hun positie als schrijver in de samenleving.

Het is niet de eerste keer dat het instituut aandacht besteedt aan het thema van de multiculturele samenleving. Eerder vonden er colloquia plaats over kolonialisme, dekolonisatie en de multiculturele samenleving, met deskundigen uit Frankrijk en Nederland. Het onder de aandacht brengen van Nederlandse literatuur in Frankrijk vindt Pröpper (zelf criticus en schrijver van o.a. de essaybundel Waterlanders, Bespiegelingen over de moraal van Nederland) één van zijn moeilijkste opdrachten. ,,Voor het colloquium over drugs, heb ik in beide landen aansluiting gezocht bij gespecialiseerde instanties, ministeries en mensen uit het veld. Als je zorgt voor niet al te rigide sprekers en een sfeer van onbevooroordeeldheid kun je heel concrete resultaten boeken. Bij literatuur ligt dat anders. Het ligt voor de hand aan te haken bij de verschijning van een literaire vertaling, maar beter kun je zoeken naar literaire onderwerpen, waarin speciale banden of juist verschillen tussen beide landen duidelijk worden gemaakt.'' Zo constateerde hij dat Franstalige en Nederlandstalige immigrantenschrijvers, oorspronkelijk afkomstig uit landen als Marokko, Algerije en Tunesië, heel verschillend denken over begrippen als identiteit en imago. ,,De Franse auteurs accepteerden mijn uitnodiging zonder enig probleem. Ze zien zo'n avond als een aardige `happening', voelen zich thuis in de rol van communicator en beschouwen een debat over tweede generatie-literatuur niet als negatief voor hun imago. De Nederlandstaligen daarentegen hebben er verschrikkelijk moeite mee als Marokkaan of Algerijn geafficheerd te worden. Zij willen als Nederlands schrijver bekend staan, niet als tweede generatie-auteur. Laten ze maar eens uitleggen waarom. Dat verschil moet vrijdagavond helder gemaakt worden.''

Met dit programmaonderdeel lijkt het Institut néerlandais een voorschot te nemen op de culturele actiepunten van staatssecretaris Van der Ploeg van Cultuur - een beleid toegespitst op jongeren en allochtonen, waar Pröpper maar gedeeltelijk achter staat. ,,Het is waar dat in literaire commissies nauwelijks allochtonen zitten'', zegt hij, ,,en in de instanties die beurzen toekennen evenmin. Anderzijds wordt het inhoudelijke, literaire oordeel steeds vaker afhankelijk gemaakt van buitenliteraire kwesties. Neem het recente verschijnsel dat iedere uitgever ineens absoluut een Marokkaan of een Algerijn in zijn fonds wilde hebben. In hun haast plukten ze er soms één van de straat, die dan later toch niet zo goed bleek te zijn. Die fout moet Van der Ploeg niet maken. Dan lever je eerder een negatieve bijdrage. Als je je voor een idee inzet, moet je zorgen dat je een kader schept waarin dat echt kan gedijen, zonder dat je gettovorming in de hand werkt.''

Zelf zoekt Pröpper steeds naar mogelijkheden om de Nederlandse cultuur ook buiten de muren van het institut voor het voetlicht te brengen. In maart werd er een aantal Nederlandse films vertoond op het Festival du cinéma nordique in Rouen. ,,De Nederlandse speelfilm bestaat gewoon niet in Frankrijk'', zegt hij, ,,maar dankzij het festival in Rouen hebben we Franse producenten ertoe kunnen bewegen hedendaagse Nederlandse films in Frankrijk in roulatie te brengen: De Poolse bruid van Karim Traïda was er daar één van. Ik ben ook hard op weg te infiltreren in grote culturele structuren zoals het filmfestival van Cannes en het festival van Avignon.''

Dankzij de sponsoring van enkele grote Nederlandse bedrijven en extra overheidsgeld kon het instituut vorig jaar grootscheeps het werk van cineast en fotograaf Johan van der Keuken presenteren. Het succes in Frankrijk leidde ertoe dat deze kunstenaar nu ook in de Verenigde Staten met open armen ontvangen wordt. Hetzelfde zou moeten gelden voor de uitvoering van Nederlandse klassieke muziek en grafische vormgeving van vaderlandse bodem, die Pröpper beide `grandioos' noemt, evenals het Nederlandse design ,,dat van een uitermate hoog niveau is. Als je enigszins op de hoogte bent van de Nederlandse cultuur, spreek je daar niet negatief over, zoals de gemiddelde Nederlander. Je moet ook niet altijd denken in termen van groot en klein, zoals de Fransen doen. Ik wil niet zozeer verkondigen dat Nederland een groot land is, maar wel dat Nederland meer is dan Vermeer en Rembrandt.''

De relatie tussen Frankrijk en Nederland is, zo zegt hij, de afgelopen jaren versoepeld. Er is, op regeringsniveau en zeker in het culturele veld, meer bereidheid naar elkaar te luisteren. Dat heeft te maken met Nederlandse investeringen in Noord-Frankrijk, maar ook met taalpolitiek. ,,Bij de strijd die de Fransen voeren tegen het Engels, hebben ze kleinere talen, zoals het Nederlands, nodig. Ze zoeken toenadering tot de Taalunie om op universitair niveau meer steun te krijgen voor het Frans. Het Nederlands krijgt dan van Parijs ook meer kansen.'' In heel Frankrijk leren momenteel zo'n tweeduizend mensen Nederlands, waarvan vijfhonderd aan het institut néerlandais.

Bij voorkeur zag Pröpper het institut zich ontwikkelen tot een soort Balie (het politiek-culturele centrum van Amsterdam - md). De actieve rol die Franse intellectuelen spelen bij de publieke meningsvorming over actuele vraagstukken spreekt hem aan. ,,In Nederland zeggen veel auteurs dat ze niets van Kosovo weten en vervolgens houden ze hun mond. Dat is op zich begrijpelijk, de schrijver is immers geen ziener meer. Maar in Frankrijk zijn er auteurs die ernaar toe gaan en met meningen terugkomen. Dat is Frans. Dan krijg je debatten waarbij gevoelens loskomen en meningen worden aangescherpt. Ik vind het een culturele rijkdom om een veelheid van opinies te tonen, de mensen een spiegel van facetten en perspectieven voor te houden.'' Ook in de toekomst zal het Institut néerlandais `een aantal pijlers van het Nederlandse vrijheidsdenken' presenteren. Op het programma voor het volgend seizoen staan colloquia over de rol van publieke televisie en de milieuproblematiek, maar ook euthanasie zal in de nabije toekomst onderwerp van discussie zijn. ,,Op die terreinen moet er nog veel gebeuren. Daar ligt mijn belangrijkste taak.''

Op vrijdag 25 juni (20u) zullen Abdelkader Benali, Mustafa Stitou uit Nederland en Azouz Begag en Moussa Lebkiri uit Frankrijk met elkaar discussiëren over het thema Deuxième génération? Première classe! Ook zal de film gebaseerd op `Le gone du chaâba', Begags succesvolle roman, worden vertoond. Institut néerlandais, 121 rue de Lille, 75007 Parijs. Tel. 00-33-1-5359-1240.