Goedkoop werk

Trouwe lezers van deze rubriek weten dat ik geen tegenstander ben van contractonderzoek aan universiteiten. In een vorige bijdrage (5-11-1998) heb ik zelfs betoogd dat contractonderzoek voor universitaire onderzoekers niet zelden hun redding is. Net zoals studenten aan wie onderwijs moet gegeven worden, zijn opdrachtgevers reële klanten die hun rechten opeisen en er zo mede zorg voor dragen dat die wetenschappers nog eens aan onderzoek toekomen.

Toch heerst er over de positie van contractonderzoek aan universiteiten nog steeds veel onduidelijkheid. Zo ben je geneigd een opdrachtgever die bereid is te betalen voor wat je uit eigen beweging al wilde onderzoeken, coulanter te behandelen dan een die met een vraag komt aanzetten die niet direct in je onderzoeksprogramma past. Daartussen is er een grote grijze zone van thema's in de buurt van je onderzoeksprogramma die dat mogelijk mee verder kunnen brengen.

Dat alles biedt mogelijkheden voor slimme opdrachtgevers om creatief zaken te doen met wetenschappers die weinig ervaring hebben met contractwerk. Nu is het sluiten van contracten rond onderzoek, opleiding of advisering sowieso steeds een subtiel spel van loven en bieden. Opdrachtgevers minimaliseren in de regel het werk totdat het budget is afgesproken. Tijdens het verdere proces proberen zij dan via niet altijd even subtiele manipulatie de uitvoerder zover te krijgen meer te doen dan was afgesproken. Het vergt de nodige assertiviteit om daarmee om te gaan.

Bij universiteiten ligt dit spel nog complexer. Enerzijds hebben deze het contractwerk minder nodig dan organisaties die daarvan moeten leven. Daardoor stellen ze zich soms nogal arrogant op: het contractwerk moet vrij precies in hun onderzoeksprogramma passen. Anderzijds zijn niet weinig professoren en onderzoeksleiders wat contractonderzoek betreft dilettanten die hun zaak voor veel te weinig geld verkopen. Universiteiten werken op dit vlak aan professionalisering, maar er is nog een lange weg te gaan.

Maar het kan natuurlijk echt zo zijn dat een project precies in de kern van je eigen programma ligt. Bovendien is er nog de maatschappelijke-dienstverleningsfunctie. Universiteiten worden verondersteld het algemeen belang te dienen. Voor kleiner werk (lezingen bijvoorbeeld) kun je op veel wetenschappers voor niets, een fles wijn of een boekenbon een beroep doen. Heel aardig en veelal ook belangrijk voor de popularisering van de wetenschap. Maar het ligt natuurlijk anders als de organisator er goed geld mee verdient. Ik maak het geregeld mee dat een cursusorganisatie deelnemers een bijdrage van tegen de duizend gulden per dag vraagt en nog probeert de geleerde sprekers voor niets of heel weinig geld binnen te halen. Of je wordt gevraagd als expert deel te nemen aan een workshop in het kader van betaald onderzoek. De uitvoerders daarvan worden wel betaald, maar de experts moeten het gewoon leuk vinden – dat is het gelukkig ook dikwijls – om met hun collega's creatief van gedachten te wisselen. Als je daar wat meegaand in bent, heb je er zo een volledige dagtaak aan. Ik heb dan ook lang geleden geleerd al snel de vraag te stellen wat ervoor betaald wordt. Niet zelden reageert men, gespeeld of niet, heel verbaasd dat ik de eerste ben die daarover begint.

Een hele mooie was dat men me onlangs vroeg om zitting te nemen in een `kennismanagementgroep' van een groot project (deels uit het overheidsfonds voor de versterking van de kennisinfrastructuur gefinancierd) over clusters. Als specialist op het vlak van zowel clusters als kennismanagement mocht ik niet ontbreken, maar inderdaad: wel voor niets. Weet je meteen hoe belangrijk je echt bent. In ruil werd me voorgehouden dat ik zo op de eerste rij zou zitten om onderzoeksgelden te verdelen, waaronder ook aan mijn eigen groep. Met mijn pet van onafhankelijke expert mocht ik dus die van de project-acquisiteur financieren. Eerlijk gezegd was ik daar nogal pissig over.

Daar stond evenwel tegenover dat het een project betrof met een sterk overheidsbelang over een thema waar ikzelf en mijn groep geïnteresseerd in zijn. En ook bij het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek is het niet ongebruikelijk dat hooggeleerden voor niets in commissies zitting nemen en daarbij meebeslissen over programma's en projecten waar ze zelf belang bij hebben.

Dit soort afwegingen blijft dus lastig en er zijn geen regels waarmee je ze eenvoudig kan maken. Al is in mijn ervaring wel dat de 80/20-regel in die zin van toepassing is dat je in ongeveer 80 procent van de gevallen de commerciële tarieven moet toepassen.

Het blijft me dan ook tegen de borst stuiten dat men je telkens weer voor (bijna) niets voor andermans karren probeert te spannen. Want intussen blijft je werk liggen en zonder vorm van tegenprestatie waarmee je bijvoorbeeld anderen dat voor jou kunt laten doen, is het enige wat je doet je eigen stapel groter maken. Voor je het weet ontwikkel je zo weinig nieuwe dingen dat je ook voor die lieve opdrachtgevers niet meer interessant bent.