Eerbetoon aan zorgzame collectioneur

Zonder Theo, de broer van Vincent, zou het Van Gogh Museum niet hebben bestaan. De tentoonstelling in de nieuwe vleugel is aan de grote bewaarder gewijd.

`HIJ WAS POPULAIR, intelligent, gezagsgetrouw, integer en vriendelijk, misschien wel veel te vriendelijk. En tóch, ondanks alles wat wij nu van hem weten, is hij een schimmige figuur gebleven, veel minder uitgesproken dan zijn broer.''

Drie jaar heeft conservator Chris Stolwijk met Theo van Gogh (1857-1891) geleefd, de broer van Vincent (1853-1890). Elke brief, elk document of voorwerp dat op Theo betrekking heeft – van Parijs tot Los Angeles – is door zijn handen gegaan. Dankzij dat onderzoek is zelfs tot op het uur het ontstaan van een tekening vast te stellen. Ook de koperen vaas op een van Vincents stillevens is nu in de Parijse huiskamer van Theo te lokaliseren. Maar Theo nóg beter leren kennen? ,,Nee, dat zit er niet in.''

De heropening vandaag van het Van Gogh Museum in Amsterdam, uitgebreid met een half-ellipsvormige vleugel, wordt gevierd met een eerbetoon aan Theo. De man, die niet meer dan de correspondent en de geldschieter in de lange slagschaduw van Vincent is gebleven. In het oorspronkelijke Rietveld-gebouw (1973) komen, dankzij verse bruiklenen van het naburige Stedelijk Museum, vollediger dan ooit Vincent en zijn tijdgenoten tot hun recht. Maar de nieuwe vleugel is gewijd aan diens broer – de kunsthandelaar, de collectioneur en de zorgzame pater familias. ,,Zonder Theo, de grote bewaarder, had dit museum er zelfs nooit gestaan'', zegt Stolwijk.

Als kunsthandelaar verkocht Theo zowel sculpturen als bibelots, zowel de schilderijen van Degas, Monet, Pissarro, Renoir en Sisley als het academische werk van gedegradeerde goden als William-Adolphe Bouguereau en Jean-Jacques Henner. Meer dan 250 kunstenaars had de firma in stock. De Parijse kunstmarkt was in de jaren tachtig van de vorige eeuw zeer gevarieerd, veranderlijk, competitief en sterk aan speculaties onderhevig. En dat was bij de firma Goupil & Cie. (later Boussod, Valadon & Cie.), waar Theo als gérant werkte, niet anders. Ook toen al gokte men graag op jonge, veelbelovende schilders en speelden kunstenaars de handelaren tegenover elkaar uit. Handelaren die op hun beurt weer het alleenrecht op verkoop eisten en de doeken van gekelderde sterren konden dumpen als paardenvijgen. `'t Is een soort tulpenhandel', zoals Vincent al schreef.

Aan de boogvormige tentoonstellingswand van de nieuwe vleugel wil het museum nu eens een dwarsdoorsnede laten zien van wat Theo's werkgever op de Boulevard Montmartre zoal te bieden had. Omdat er maar liefst zeventig doeken van Monet via Theo over de toonbank gingen, is deze schilder met tien kliffen, stormen en winterse boompartijen rijk vertegenwoordigd. Het Musée d'Orsay in Parijs stond een van zijn lievelingen af, het eerste `danseressen-doek' van Edgar Degas, met heel jonge meisjes vol turquoise en rode strikken, die onder het strenge toezicht van een heer op leeftijd hun spieren warmen. Een kleinere meester tussen Sisley en Renoir is Jean-François Raffaëlli. Destijds een veelgevraagd kunstenaar, wiens Houthakker, een Amerikaanse bruikleen, nu niet meer écht tot de verbeelding spreekt. Maar als de firma nog steeds zo'n duizend francs zou vragen voor dat mistige, roomkleurige havengezichtje van Camille Pissarro, een favoriet van Theo, die in zijn pointillistische techniek een piepklein schuitje laat spelevaren, stond menigeen meteen bij de kassa.

Tegenover deze inventaris van de kunsthandel vertelt de andere, blauwe wand wat Theo samen met Vincent in de Parijse jaren 1886-1888 zoal moet hebben gezien. Het is een selectie die soms haaks staat op wat de tijd aan `kwaliteit' zou filteren. Sommigen van de 19de-eeuwse, schilderkunstige top-tien kwamen decennia later zelfs niet meer op de top-honderd voor. Wie kent nog oriëntalistische stukken van Charles Bargue, het `schwärmerische' vrouwenschoon van Vittorio Corcos of de krijgsmacht in actie van Edouard Detaille?

Een van die losers is ook de salonschilder Jean-Léon Gerôme geweest, van wie nu een minutieus gepenseeld, dromerig gezicht op de Nijl tentoongesteld wordt. Een glanzend water onder een azuurblauwe hemel waarop een boot met baldakijn voortdeint. Op de voorgrond worden gesluierde haremvrouwen voortgedreven door Nubische roeiers. Daarachter biedt de oever vol palmen, Arabische architectuur en een kamelenkaravaan alles wat de Egyptomaan van destijds, en dat waren er nogal wat, zich kon wensen. Gerôme mag dan lang uit de gratie zijn geweest, net als bij Sir Lawrence Alma Tadema – vertegenwoordigd met een dansende nimf – wordt zijn werk nu weer veel meer gewaardeerd dan een halve eeuw geleden. Alleen al wegens die zo onvoorspelbare waarderingsgolven zouden musea geen collectiestukken mogen vervreemden.

Behalve deze salon-schilderkunst bleef in de kunsthandel ook de School van Barbizon – de schilders die in weer en wind de eenvoud van buitenleven en natuurschoon verkenden – nog lang populair. Maar bij de avant-garde – Paul Gauguin, Emile Bernard, Vincent van Gogh en Toulouse Lautrec – haakten de meeste kopers af. Liever Camille Corots rondingen van een onschuldig meisje dan zo'n hoekige, Bretonse boerin van Gauguin. Alle `modernen' die Theo in 1888 als behoedzame, maar onvermoeibare propagandist naar het filiaal in Den Haag zond, kwamen als winkeldochters terug naar Parijs. Ook de Nederlandse clientèle was er, helaas, nog niet rijp voor.

Theo, de privé-collectioneur, wist wel beter. Thuis, in de Cité Pigalle, bij zijn vrouw Jo van Gogh-Bonger, omringde hij zich met zo'n tweehonderd doeken, tekeningen en etsen van allang erkende kunstenaars als Daubigny en Manet, de nog impopulaire Gauguin, Pissarro en Bernard, en natuurlijk die van zijn broer. Omdat Theo zich maar een paar honderd franc per kunstwerk kon permitteren – de doeken van Corot, Millet, Monet en Degas waren al veel te duur – kocht hij op advies van Vincent vaak tekeningen en grafiek aan. En gelukkig waren er ook kunstenaars die uit dank voor Theo's inspanningen of gewoon uit vriendschap hem wel eens een doekje cadeau deden.

Een museumetage hoger stappen we die kamer van Theo en Jo binnen. En daar hingen de kleine doekjes van goudokeren dames, pasteus gepenseeld door Adolphe Monticelli, het mysterieuze Yeux clos-hoofd van Odilon Redon en een besneeuwd Montmartre van Auguste Lepère. Deze `troost', zoals Theo zijn collectie duidde, is als geheel weliswaar veel minder belangwekkend dan wat de Parijse kunsthandel beneden laat zien, maar wel afwisselender en intiemer. Zo wandel je van een heftig blauw gezicht op de haven van Honfleur, een bijna kitscherig vergezicht van Frank Myers Boggs, naar het prachtportret dat Emile Bernard van zijn grootmoeder maakte. Een dijk van een dame waar niemand omheen kon, en die als enig familielid Bernard in zijn schilderambities steunde.

Of er een lijn in deze privé-collectie te ontdekken valt? Nee, zegt Stolwijk, Theo kreeg er simpelweg de tijd niet voor. Een halfjaar na Vincents dood zou hij aan syfilis overlijden. ,,Maar als hij langer in leven was gebleven, dan had hij ongetwijfeld de grootste Gauguin-collectie ter wereld bijeengebracht. Aan Theo danken we ook Vincents brieven. De antwoorden van Theo gooide Vincent meestal weg.''

Wie die overgebleven antwoorden leest, weet het zeker. Theo was, inderdaad, integer, vriendelijk en zorgzaam. Almaar weer sprak hij Vincent moed in, waarschuwde hem op zijn gezondheid te letten, stelde hem keer op keer gerust, voorzover dat kon, en liet hem ook – door het `praten op papier' over zijn huiselijke en zakelijke beslommeringen – delen in het werk- en gezinsleven. Dat het uiteindelijk allemaal niet mocht baten, moet Theo meer verdriet hebben gegeven dan hij dragen kon.