Een kortstondig bloeiende bloem

Wie de biografische schets van conservator Chris Stolwijk leest, krijgt het onherroepelijk met Theo van Gogh te doen.

ALLEEN AL DOOR de weldadige ruimte en het schitterende pseudo-daglicht is een bezoek aan het nieuwe Van Gogh Museum deze zomer een `must'. En dat geldt ook voor de tentoonstelling, de hommage aan Theo, zonder wiens broederlijke rug-

gensteun Vincent van Gogh misschien wel nooit de toppen van zijn kunnen had durven beproeven. Maar om meer contour te krijgen van de persoon Theo, diens relatie tot de oudere Vincent en andere kunstenaars, en om het klimaat van de Parijse kunsthandel beter te leren kennen, is het zeer volledige boek dat de presentatie in de nieuwe vleugel begeleidt, onontbeerlijk.

Het kan niet anders, of je hebt na lezing van Chris Stolwijks biografische schets met Theo te doen. Een aimabele, maar fysiek zwakke schooljongen, met ouders die later almaar vriendinnen afkeuren, die fatsoenlijke carrières van hun zonen eisen en die niet terugdeinzen voor emotionele chantage. En dan die gevoelige Theo, die als een gammele dobber tussen het ouderlijk huis in Nuenen en die vaak egocentrische en neerslachtige Vincent in komt te zitten, maar niettemin die dwingeland vanaf 1881 maand na maand financieel bijstaat. Waardering voor Vincents werk, zoals hij wijselijk schreef, zou alleen een kwestie van tijd zijn.

Samenwonend in Parijs – via zijn oom Cent was Theo in de kunsthandel terechtgekomen – raakten de broers zeer aan elkaar verknocht. In de avonduren trokken ze van atelier naar café. Dankzij Vincent leerde Theo de avant-garde kennen én het schilder-zijn, zodat hij met veel empathie kunstenaars tegemoet kon treden. Ondanks alle strubbelingen, die er in ruime mate waren, ging hij Vincent intens missen toen die in februari 1888 naar Arles vertrok. Hoe ijverig hij zich daarna ook inspande voor zijn werkgever: kunst kan geen eenzaamheid verdrijven. Dolblij was Theo dan ook toen Jo, de zuster van zijn innige vriend Andries Bonger, uiteindelijk tóch van hem bleek te houden. Alles wilde hij in het werk stellen om haar gelukkig te maken, schreef hij zijn moeder.

Maar, zoals vaker in Theo's leven, liet ook dit keer het geluk meteen zijn keerzijde zien. Hij was nog niet verloofd of hij moest onverwijld naar het zuiden, naar Vincent, die zichzelf na een ruzie met Gauguin aan zijn oor had verwond. Het was misschien wel een truc, vermoeden sommigen, om Gauguin van diens vertrek af te houden. Maar die truc mislukte. Theo regelde opvang voor Vincent en vond zijn broer in zo'n slechte conditie dat hij in radeloze brieven, vol schuldgevoel over zijn eigen geluk, eigenlijk al afscheid van hem neemt.

Wonderbaarlijk genoeg herstelde Vincent binnen een paar dagen, Jo kreeg in 1890 een zoon, Vincent Willem, en vanuit Arles ging, alsof er niets was gebeurd, het mooiste cadeau op de post dat men zich wensen kan. Het is nu gelukkig ook op de tentoonstelling te zien: jonge, witte amandelbloesem aan een wirwar van sterke takken, die tegen het stralend blauw van een Provençaalse hemel zijn afgezet.

Zo feestelijk als die veelbelovende bloesem, zo rampzalig waren de maanden die volgden. Vincent kreeg opnieuw aanvallen van krankzinnigheid, Jo en kind werden ziek, de zaken liepen slecht, en Theo zelf, intussen flink verzwakt, kon met zijn kleine inkomen nauwelijks meer zijn gezin, zijn moeder én zijn broer onderhouden. Nog even leek het tij te keren, toen Vincent, inmiddels in Auvers, opnieuw het idee opperde om toch vooral een eigen zaak te beginnen, en die bazen, `de ratten', aldus Theo in een van zijn brieven, te laten barsten.

Maar Theo voorvoelde het al, het kwam allemaal te laat. Kort daarna schoot Vincent zichzelf door de borst. Een wanhoopsdaad om zijn armlastige broer niet langer tot last te zijn, wordt wel beweerd. `Hij vond de rust, waar hij zo naar verlangd had'; en dat was Theo's enige troost, zoals hij zijn moeder liet weten.

Toen zijn werkgever hem voor de zoveelste keer een salarisverhoging weigerde, nam hij in razernij ontslag. Uitgeput door verdriet en zorgen, verlamd en verward door de syfilis, kwam hij in de Willem Arntzkliniek in Utrecht te overlijden. En op de Algemene Begraafplaats daar liet zijn Jo haar rozen achter, het symbool van Theo's leven, zoals zijzelf noteerde in haar dagboek: `...een kortstondig bloeiende bloem, met doornen.'

Welke boeken Theo thuis had, hoe trouw hij bleef aan familie en kunstenaars en wie hem daar zoal voor bedankte: dat valt allemaal te lezen in de sarcofaagachtige vitrines die in diezelfde nieuwe vleugel staan opgesteld. Liever toch kijk je naar de `goede vrienden', waar Theo zo graag `mee samenleefde': naar de illusieloze vrouw die Lautrec aan een terrastafeltje schilderde, naar de aquarel van een Hollandse vaart, die Théophile de Bock onder een stormachtig wolkendek in verf schetste, en naar de rondborstige hoeren, van wie Emile Bernard een niets verhullende tekening maakte.

Later, veel later zou blijken dat al deze werken een goede investering waren, schreef Vincent, en dat ze beiden met minder zorgen oud konden worden. Kon je maar een fax naar de hemelse postbus van die twee wankele mannen sturen: `Ja, Theo, ja, Vincent, goed gedaan, kijk maar: zie je dat nieuwe gebouw op dat groene Museumplein, zie je die rijen bij de museumkassa? Het kon niet beter!'

`Theo van Gogh 1857-1891', Chris van Stolwijk en Richard Thomson, Waanders Uitgevers, Zwolle. 55 gulden (paperback in het museum) en 75 gulden (gebonden, ook in de boekhandel)