Cultuurdebat

Rob Boonzajer Flaes, kroonlid van de Raad van Cultuur, vaart in NRC Handelsblad van 10 juni jl. hevig uit tegen de `platte macht van cultuurboeren'. Met toenemende verbijstering heb ik zijn betoog gelezen. Boonzajer maakt de andersdenkenden scherpe verwijten, niet zozeer door te argumenteren, maar door de persoon van de criticasters in het geding te brengen en domme clichés te schetsen.

De door Boonzajer zo genoemde `cultuurboeren', komen op voor de essentie van hun kunsten, of meer prozaïsch gezegd, voor de werkgelegenheid van hun tientallen medewerkers. Boonzajers stijl beschadigt onnodig. Hij smoort aldus iedere communicatie met de overheid, van bestaande en nieuwe kunsten. Dat is jammer. De doelstellingen van de staatssecretaris verlangen dat bewindspersonen, adviseurs, aanbieders en verspreiders van kunsten, zich samen beraden op de vraag hoe meer participatie is te realiseren. Die toestand bereik je echter niet met het gif dat Boonzajer rondstrooit. Cultuurondernemers zijn loyaal aan het `polderbestuur' van de kunsten. Ze proberen hun administratieve en artistieke hoofd boven water te houden. Anders dan Boonzajer suggereert, zijn we niet de `kleinen van geest' die het gouden dak van de hoge kunsten opvluchten om daar bevreesd de hoogten van de cultureel diverse springvloed af te wachten. Wel bepalen we onze strategie ten opzichte van een overheid die steeds wisselende dijkhoogten bepleit. Soms kunnen we springvloed aan, vaker loopt het water echter over de dijken door de beperkte schaalgrootte en geringe economisch slagkracht van onze bedrijven.

De staatssecretaris verlangt dat wat goed is populairder wordt en wat populair is beter. Cultuurondernemers leggen daarom hun bestsellers in de schappen. Quasi-authentieke claims van symfonieorkesten op wereldmuziek lijken daartoe niet te behoren.

Niettemin mag juist van kunstondernemers verlangd worden dat ze ook nevenproducten van andere herkomst etaleren, misschien zelfs die waar ze niet goed in zijn. Maar dan niet na of tijdens een nieuwe kunstenplanperiode opnieuw te schamperen over `geborneerdheid' en niet marktgericht ondernemerschap.