Beeldcultuur

OMDAT IEDEREEN de term `beeldcultuur' bezigt alsof hij al in het Oude Testament voorkomt, lijkt het vanzelfsprekend genoeg om er een heel centrum voor op te richten: het Instituut voor Beeldcultuur. Maar dat plotseling zo automatisch toegepaste idee `beeldcultuur' veegt als allegaartje samen wat tot nu toe ferm op zichzelf stond. De fotografie in vele facetten moet in dat in te richten Instituut een plaats vinden en ook de `nieuwe media' worden er ondergebracht. Zijn deze twee heel misschien verre neven, de filmkunst het etiket `beeldcultuur' opplakken is een weeskind onderschuiven. Wie zo redeneert zou de cinematografie net zo gemakkelijk samen met het toneel, de musical en het ballet kunnen huisvesten in een Instituut voor Theatercultuur, in welk geval de fotografie en de nieuwe media zouden kunnen hokken samen met de schilderkunst in een Paleis voor Schone Beelden. Net zo arbitrair, precies zo opportunistisch, dus waarom niet?

Maar zo gaat het niet. Het Instituut voor Beeldcultuur komt er, en tussen Rotterdam en Amsterdam woedt een strijd wie dat Instituut zou mogen `hebben'. Die strijd is, met een voor staatssecretaris Van der Ploeg typerende voorlopige voorkeur, nu min of meer beslecht in het voordeel van Rotterdam. Voor de fotografie en de nieuwe media verre van een ramp, want alle betrokken instellingen wonen in Rotterdam al bij elkaar in de straat. Maar vermoedelijk het einde voor het Filmmuseum, dat is gevestigd aan de rand van het Amsterdamse Vondelpark.

IN 1987 ZAT daar een groot slot op de deur van het verstofte pand, toen een nieuwe directeur, Hoos Blotkamp, aantrad. Samen met haar medewerkers is zij erin geslaagd om een onneembare bunker te veranderen in een echt museum voor de cinematografie, waar niet wordt gekoketteerd met behaagzieke exposities van filmsterrenfoto's of antieke affiches maar werkelijk film wordt geëxposeerd. De programmering werd hoe langer hoe origineler, de toestroom van een steeds trouwer publiek nam toe – en dat betreft niet de anderhalve filmstudent die door zijn leraren er naartoe wordt gedreven, maar het voor de filmkunst geporteerde publiek dat het Filmmuseum zèlf creëerde en dat vorig jaar de deur platliep voor het Hitchcockprogramma, nu de verzameling jazzfilms bezoekt en komende maand zal aantreden voor een zomerserie rond de actrice Cathérine Deneuve.

Het handjevol ijverige studenten aan Filmacademie, Universiteit of Binger Instituut neemt de trein naar Rotterdam wel als het Filmmuseum derwaarts verhuist. Het echte filmmuseumpubliek zal van de reis afzien, want zodra het museum naar de Kop van Zuid is verdwenen en op zoek gaat naar een nieuw publiek, is er vast een alerte Amsterdamse filmondernemer die het pand in het park huurt en klassieke films gaat vertonen in de beide kortgeleden gerestaureerde zalen. Een vast publiek is er al.