1804: de Servische boerenopstand begint

De intocht van KFOR in Kosovo en de teloorgang van het Servische gezag vormen een nieuw hoofdstuk in de lange geschiedenis van de regio. De geschiedenis van Kosovo, Servië en Albanië in acht delen. Vandaag deel twee, de periode 1804-1878.

In het begin van de negentiende eeuw waren Kosovo, Albanië en Servië stille, afgelegen provincies van het Ottomaanse Rijk. Even ten noorden van Albanië verwierf Montenegro in 1799 als eerste Balkanstaat zijn onafhankelijkheid door de sultan te dwingen te erkennen wat al decennia, zo niet eeuwen, duidelijk was: de Ottomanen hadden de krijgshaftige bewoners in de ontoegankelijke Zwarte Bergen nooit werkelijk bedwongen.

Servië was een grensprovincie waar de dienst werd uitgemaakt door een welwillende Ottomaanse gouverneur, duizend Turkse grootgrondbezitters, een rechter (kadi) in elke stad en wat Turkse garnizoenen. Ver onder dat niveau ploeterden de Servische boeren. Nationalisme en een streven naar onafhankelijkheid bestonden niet: de Serviërs zagen zich eerder als orthodoxe christenen dan als Serviërs, er was lokaal zelfbestuur en er was godsdienstvrijheid en dat was voor de meeste Serviërs genoeg.

Dat het in 1804 toch tot een grote opstand kwam, lag aan twee factoren. De eerste was een rebellie van het Ottomaanse keurkorps, de Janissaren, die tegen de sultan opstonden, de Turkse gouverneur vermoordden en een schrikbewind tegen de Servische boerenbevolking ontketenden. Die stond – met stilzwijgende instemming van de sultan – tegen dat schrikbewind op. De tweede factor was de plotselinge beschikbaarheid van een Servische leider, in de persoon van een geniale en charismatische varkensboer, George (Djordje) Petrovic, alias Karadjordje (Zwarte George). Karadjordje had in het Oostenrijkse leger tegen de Turken gevochten, was gedeserteerd, had als hajduk (struikrover) rijke Turken uitgeschud en zette vervolgens een succesvolle groothandel in varkens op touw. Toen de Servische boeren opstonden tegen de Janissaren, werd hij hun instant-leider, die de Janissaren verjoeg en zich vervolgens tegen de sultan keerde.

De strijd om de Servische onafhankelijkheid werd niet in één slag en zelfs niet in een decennium beslist. De Serviërs werden in de loop van dertig jaar menigmaal verslagen, om vervolgens opnieuw op te staan. Vanaf 1813 werd de Servische strijd van Karadjordje overgenomen door nóg een geniale leider, Miloš Obrenovic. In een reeks opstanden tussen 1813 en 1834 in slaagden de Serviërs erin, de sultan tot de erkenning van de Servische autonomie te dwingen. Servië werd een prinsdom onder Miloš.

De decennia tot 1878 werden gekenmerkt door chaos en verwarring en een gebrek aan interne consolidatie: grillige prinsen wisselden in snel tempo elkaar af, en het zwakke en straatarme Servië bleef decennia lang het doelwit van binnen- en buitenlandse intriges. Het Ottomaanse rijk, het Habsburgse rijk en Rusland trachtten door het stoken en intrigeren het bufferstaatje binnen hun invloedssfeer te krijgen.

Albanezen – een ongeletterd, ongeorganiseerd volk van bergstammen – speelden bij dit alles geen rol: de Serviërs hadden het moeilijk zelf het hoofd boven water te houden. Wat wél een rol speelde was een groeiend Servisch nationalisme, dat zich concentreerde op het lot van de Serviërs buiten Servië, die getalsmatig de volksgenoten in Servië overtroffen (nog in 1900 telde Servië 2.331.000 Serviërs, maar woonden er 93.000 Serviërs in Oostenrijk, 438.000 in Hongarije, 611.000 in Kroatië-Slavonië, 825.000 in Bosnië-Herzegovina en 400.000 in het Ottomaanse rijk, voornamelijk in Kosovo.

De chef-ideoloog van het Servische nationalisme – of: pan-Slavisme, of: expansionisme – was Ilija Garašanin, staatman, twee keer premier en, in 1844, schrijver van een `Ontwerpplan' dat voorzag in de bevrijding van alle Slavische en niet-Slavische christenen tegen de Turken, de vereniging van alle Serviërs in één land (en wel het Servië van de 14de eeuw) en de uitbreiding van Servië in de richting van de Adriatische zee. Deze blauwdruk voor een Groot-Servië ten koste van de Habsburgers, de Turken en de niet-christenen (zoals de Albanezen in Kosovo, met zijn grote Servische minderheid) werd het leitmotiv van het nieuwe Servië, een streven dat na de Balkan-oorlogen en de Eerste Wereldoorlog in 1918 werd gerealiseerd in de nieuwe Joegoslavische staat.

Garašanin sloot bondgenootschappen met onafhankelijke of autonome buurlanden als Montenegro, Griekenland en Roemenië en met de Servische gemeenschap in Bosnië en slaagde in 1867 in het streven, de laatste Turkse garnizoenen het land uit te krijgen.

In 1877 togen de Russen, in een reactie op anti-Turkse opstanden in de Herzegovina en Bulgarije, tegen de Turken ten strijde. Het werd een doorbraak. De Russen dreven de Turken terug tot de poorten van Constantinopel. Montenegro, het nieuwe Bulgarije en het nu onafhankelijke koninkrijk Servië maakten van de gelegenheid gebruik hun grondgebied uit te breiden: wat nu Zuid-Servië, de Sandzak en Macedonië heet viel in hun handen. Het eerste wat de nieuwe heersers deden was zich te ontdoen van hun nieuwe, maar ongewenste moslim-onderdanen: in de eerste (maar lang niet de laatste) grote etnische zuivering van de laatste twee eeuwen werden tienduizenden moslims onteigend, vermoord of op de vlucht gedreven, de meesten naar Kosovo, een regio die in Turkse handen was gebleven.

De bevelen kwamen uit Belgrado en waren simpel: in Servië was geen plaats voor moslims.