Renteverhoging valt goed

Evenals in de vorige verslagweek liepen ook deze week de korte geldmarkttarieven op. Zo steeg de daggeldrente en de 3-maands interbancaire Euro-rente met respectievelijk 5 en 2 basispunten tot 2,60 en 2,63 procent. De jaarsrente daalde daarentegen na de sterke stijging van vorige week met 3 basispunten tot 2,81 procent.

De lagere jaarsrente hangt samen met een daling van de 10-jaars rente op Duitse staatsobligaties, het toonaangevende tarief op de Europese kapitaalmarkt, dat omlaag ging met circa 0,15 procentpunt tot 4,20 procent. Deze lagere kapitaalmarktrente houdt verband met de gedaalde Amerikaanse lange rente. De markten hebben daar de voorzichtige aankondiging van een renteverhoging door Fed-voorzitter Greenspan aanvankelijk als gunstig beoordeeld. Hierdoor werden vooral de lange geldmarkttarieven mee omlaag getrokken. De stijging van de korte tarieven hangt mogelijk samen met een vroege anticipatie op het naderende einde van de kasreserveperiode die vandaag afloopt. Tot nu toe heeft het einde van de kasreserveperiode veelal gezorgd voor een forse stijging van de daggeldrente in de laatste week van de aanhoudingsperiode. Om te voorkomen dat op het laatste moment nog geld moet worden geleend (tegen een relatief hoog tarief) om te voldoen aan de reserveverplichting, nemen veel banken het zekere voor het onzekere en wordt in een vroeg stadium al voldaan aan de reserveverplichting. Hierdoor lag de gemiddelde aanhouding op de kasreserverekening met 102,4 miljard euro, ruimschoots boven de het gebruik van de depositofaciliteit tegen het einde van kasreserveperiode flink zal toenemen. Op de depositofaciliteit kunnen het banken hun overtollige reserves stallen tegen een vergoeding van 1,5 procent. Verder werd er een oude basisherfinancieringstransactie van 43 miljard euro vervangen door een 4 miljard kleinere nieuwe herfinancieringstransactie. Als reden voor de krappere herfinanciering gaf het Eurosysteem aan dat er vanuit andere 'hoeken' van de geldmarkt voldoende liquide middelen de markt in zouden stromen. Dat er inderdaad voldoende middelen de markt in zijn gestroomd blijkt uit de afname van het aantal bankbiljetten in omloop en de verplichtingen aan overheden met respectievelijk 1 en 9,4 miljard euro. De afname van de verplichtingen aan overheden hangt samen met betalingen van overheden van één of meer Zuidelijke lidstaten.

Bron: ING Economisch Bureau