Nee, ik wil roeren

Mijn kleine buurmeisje op de camping was de tent binnengelopen. Ik was net wakker. Ze was vier jaar oud.

– Uw moeder slaapt zeker nog?

Ze bedoelde mijn vriendin.

– Ja, die slaapt nog.

– Zullen we gaan zeilen?

– Het waait een beetje hard.

– Niks hoor, het waait maar een beetje.

Stilte. Ik sipte van mijn koffie.

– Slaapt uw moeder veel?

– Ja, ze slaapt nog.

– Ik wil later met jou trouwen.

– Wat leuk!

– Maar uw moeder moet ergens anders gaan wonen.

– Oh.

– Ik wil met jou trouwen.

Dan stond ze heel dicht tegen me aan en wist het niet meer. Ze was een schatje.

Met nog vijf andere schatjes, oudere zusjes van haar en een broertje, allemaal zonder zwemvest voeren we de haven uit.

We waren nog niet buiten of het jongetje stond met het zware anker in zijn armen te wankelen op de voorplecht en riep: Ik gooi het anker uit!

– Niet doen!

– Meneer? riep een zusje, mag ik nu het zeil hijsen?

– Nee!

Het touw van het grootzeil lag al in een wanordelijke hoop op het dek.

– Mag ik het anker overboord gooien?

– Leg dat anker neer!

Kwam het jongetje naar me toe, zonder anker gelukkig.

– Het is een mooi schip, zei hij, maar ik zou nog een luik in de bodem maken, als ik u was. Zal ik een luik in de bodem maken meneer? Mijn vader is timmerman bij de marine.

– Mag ik roeren meneer?

– Nee, ik mag roeren!

– Mag ik eerst roeren meneer?

Mijn jonge bruid zat heel stil op een bank in de kuip. Ze leek heel tevreden. Ze wachtte op later. Af en toe keek ze naar me en dan lachte ze. Haar beentjes bungelden vrolijk heen en weer. Wie weet gingen we wel nooit meer terug.

– Ik mag roeren meneer!

– Nee, ik mag roeren.

– Mag ik roeren meneer?

– We gaan de zeilen hijsen, zei ik en legde de boot dood tegen de wind in. Wild gejuich, twee klampten zich vechtend vast aan het roer. De anderen vochten om de touwen bij de mast en het jongetje rende langs me heen en stond weer met dat anker in zijn armen.

– Meneer, mag het anker overboord?

– Nee, schreeuwde ik, het is hier 20 meter diep!

Langzaam werd me duidelijk dat ik voor de zware taak stond het schip te redden en al die kinderen ook. Dat lukte me. Of de kinderen het nog leuk vonden weet ik niet meer. Wel herinner ik me dat bij het binnenvaren van de haven een grote opluchting zich van mij meester maakte. Ik had het gered. Ze leefden allemaal nog!

Op dat moment wierp het jongetje met een wilde zwaai dat verdomde anker overboord in de haven. Ik hoorde de ankerketting over de houten boord ratelen, en daar stond hij dat ding heel triomfantelijk na te kijken.

– Hou je vast!! schreeuwde ik.

Ze vielen allemaal over elkaar heen toen de boot abrupt stopte. Niemand gewond. Jongetje tevreden. Het was een mooie dag geweest. Ze hadden gezeild. Dat luik kwam later wel.

Wel heb ik die nacht eng gedroomd. De een na de ander verzoop. Helemaal in mijn eentje zeilde ik terug in een lege boot. Het anker hing boven in de mast en bij een vlaag van de wind viel het naar beneden dwars door de bodem, de boot zonk. En ik zwom in dat gore water temidden van allemaal dooie kindertjes.