Elitekunst hoeft zich bepaald niet bedreigd te voelen

De schrijver Herman Franke deed vorige week een oproep aan staatssecretaris Van der Ploeg om de kwaliteitscultuur te beschermen tegen de in zijn ogen toenemende vulgarisering. Maar de echo's van bijvoorbeeld Bach en Mozart verdwijnen niet onder het lokgeroep van de massacultuur. Wat van waarde is kan zich namelijk prima verdedigen, meent Arnoud Visser.

In zijn pleidooi voor een cultureel reveil (NRC Handelsblad, 16 juni) doet Herman Franke een beroep op de staatssecretaris van Cultuur de broze kwaliteitscultuur te beschermen tegen de ,,massawals die alles verplat''. Het is een echo van Luceberts al te vaak aangehaalde woorden `alles van waarde is weerloos'. Het zou beter zijn deze woorden om te draaien. Wat van waarde is kan zich namelijk prima verdedigen.

Franke gaat uit van het traditionele onderscheid tussen hoge en lage cultuur. Dit onderscheid is vooral gebaseerd op sociale overwegingen. Een belangrijk argument tegen deze culturele hiërarchie levert Franke dan ook zelf. De door hem beschreven `hoge cultuur' ontleent haar status vooral aan de sociologische achtergrond waarin zij is ontstaan. Het is de machtsfactor die de cultuur haar status heeft verleend, niet een bovennatuurlijke mate aan `schoonheid' of `waarheid'. Dit is ook een van de redenen waarom de gemiddelde Chinees waarschijnlijk meer gecharmeerd is van Chinees ballet en een Afrikaan een andere associatie zal krijgen bij het begrip `klassieke muziek'.

De doorbraak van deze relativering mag een van de verworvenheden van de twintigste eeuw genoemd worden. Een belangrijke consequentie ervan is dat een diffuser beeld is ontstaan van het begrip kunst. Dit heeft als positief gevolg dat het besef van de culturele relativiteit de hiërarchie in de cultuur tussen haakjes plaatst.

Cultuur en kunst worden bovendien door Franke vaak te gemakkelijk door elkaar gehaald. Cultuur duidt in brede zin op de manier waarop mensen vormgeven aan hun dagelijkse bestaan. Kunst is hier een specifieke uiting van, waar veelzeggend genoeg juist sinds de laatste eeuw maar geen bevredigende definitie meer van gegeven kan worden. Voor Franke lijken beide begrippen te duiden op een hogere vorm van beschaving die volgens arcane criteria toegang geeft tot de hogere genoegens van de elitekunst. Dit staat bij hem in schril contrast tot wat hij de massacultuur noemt, die juist alles representeert wat platvloers, vulgair en schreeuwerig is.

Saillant is dat Franke zich vooral ergert aan het feit dat de `hogere klasse' de populaire cultuur evenzeer consumeert als de mensen van wie hij het kennelijk wel had verwacht. De populaire cultuur is dus vooral slecht voor hoger opgeleide mensen. De lager opgeleide klasse zou juist van deze elite hun Bildung moeten ontvangen. Cultuur kan voor hem kennelijk nog steeds alleen van boven komen.

Het wordt bij Franke niet duidelijk waar zijn onheilsgevoel op gebaseerd is. Hij uit weliswaar zijn ergernis over voetbal, dartskampioen Raymond van Barneveld, soapseries en het medium Jomanda, maar biedt geen algemeen kader waardoor zijn angst voor de vulgarisering zou kunnen overtuigen. Zijn kritiek op `dikbuikige kroegtijgers' en bovengenoemde verschijnselen verraadt bovendien een behoorlijk dédain voor de groep mensen waar hij naar eigen zeggen uit afkomstig is.

Als kunstcriticus komt Franke vooral conservatief over – een op zichzelf vaak positieve eigenschap. Hij lijkt vooral bestaande kunstvormen te willen beschermen. Zijn museaal georiënteerde idee van zijn concept `elitekunst' blijkt het duidelijkst uit een van zijn retorische vragen: ,,Hoe moeten liefhebbers van wat mooi, zeldzaam en broos is, zich verweren?'' Zijn voorbeelden van bedreigde elitekunst (Bach, Aristoteles, het Nationaal Ballet) kunnen evenwel nauwelijks als bedreigd gekenschetst worden. Daarnaast moet elitekunst volgens Franke verder reiken dan louter amusement en pas na enige inspanning rendement opleveren. Dit is geen onderscheidend criterium. Het beroep op discipline als middel tot acquired taste zou voor de schrijver kennelijk inhouden dat hij met popmuziek meer geduld moet hebben. Als hij zich beter in het Songfestival zou verdiepen, meer naar bijvoorbeeld Abba zou luisteren, dan zou hij ook deze vormen van cultuur op waarde kunnen schatten. Bovendien: Hoe ver moet men hierin gaan? Hoeveel kunstmatige steun mag een kunstenaar ontvangen voordat geconcludeerd wordt dat hij geen kwaliteit heeft? Wie is de beste beoordelaar? ,,Alle bloemen moeten bloeien'', zegt Franke, ,,maar niet alleen de goudsbloemen van de massasmaak.'' Was het maar zo simpel als Franke's literaire stijlbloem suggereert. Immers, wat is volgens hem `theater dat te denken geeft'? De dubbelzinnige formulering moet zich bij vele vormen van modern theater wel als een boemerang tegen de beschaafde normen van de schrijver keren.

De suggestie dat een serieuze dreiging uitgaat van de populaire cultuur is pompeus. Het Eurovisie Songfestival, een van de becommentarieerde verschijnselen, vormt op geen enkele manier een bedreiging voor de kunsten. Het is wél een fenomeen dat ten tijde van verdergaande Europese integratie een nieuwe relevantie krijgt, los van wat Paul de Leeuw verder aan promotieactiviteiten heeft verricht. Ook de popmuziekzender MTV is als spiegel van een levende jeugdcultuur cultureel interessant.

In tegenstelling tot wat Franke lijkt te denken, wordt zijn voorkeur voor Bach en ballet hem door niemand kwalijk genomen. Deze vormen van (door de elite) geaccepteerde kunst zijn echter niet de enige vormen die het predikaat cultuur verdienen. De populaire cultuur heeft in deze discussie gelijke rechten. Zoals veel middeleeuwse kerkkunst de boodschap van kerkelijke rijkdom en macht bracht, de Aeneïs geschreven werd als een literaire vorm van politieke propaganda, en veel schilderijen van Van Dyck geboren zijn in de sociale context van de Elizabethaanse high society, zo kon Abba voor het Zweedse koningshuis ruim twintig jaar geleden al hun `Dancing Queen' ten gehore brengen.

Kunst heeft een lange traditie als drager van een communicatief signaal. Kunst is daarmee vrijwel altijd een spreekbuis voor een bepaalde groep of cultuur binnen de setting van een bepaalde tijd. Goede smaken verschillen tegenwoordig meer dan ooit.

Arnoud Visser is classicus.