Chauvinistisch industriebeleid is achterhaald

De internationalisering van de economie is een goede zaak, vindt Wouter Bos. Werkgelegenheid en winst zijn de enige geldige criteria.

Een bevriend gemeenteraadslid uit Rotterdam vertelde me dat hij een documentaire had gezien waarin de vraag gesteld werd of New York niet weer langzamerhand Nieuw Amsterdam werd. Een aantal beeldvangende gebouwen en bedrijven was immers recent in handen van Nederlanders gekomen: Nederlandse pensioenfondsen roerden zich op de onroerendgoedmarkt, Aegon en ING hadden grote verzekeraars overgenomen, Albert Heijn een supermarktketen en Schiphol deed het management van Kennedy Airport. Het is een aardige anekdote die aantoont dat we niet te benepen moeten doen over de internationalisering van de economie.

Het bevorderen en instandhouden van een sterke, concurrerende en duurzame economische structuur zou de centrale doelstelling van de Nederlandse industriepolitiek zou moeten zijn . Wat telt is of er voldoende banen zijn, of er voldoende verdiend wordt, of dit gebeurt op een acceptabele manier en of de daarvoor benodigde motor van concurrentie en innovatie blijft lopen. Bedrijven die daaraan bijdragen zijn welkom, of ze nu industrieel of dienstverlenend, binnenlands of buitenlands zijn.

Ik kan begrip opbrengen voor de chauvinistische gevoelens over de fusie tussen British Steel en Hoogovens, de verkoop van UNA aan Reliant of de privatisering van de Nedcar. Maar toch beschouw ik de gang van zaken rond bijvoorbeeld Hoogovens juist als heel positief. De werkgelegenheid van werknemers bij Hoogovens in Nederland is met deze fusie gediend en juist het researchwerk blijft bijvoorbeeld voor Nederland behouden. Die winst erkennen en vervolgens zorgen dat er ook in sociaal opzicht bij deze fusie geen brokken worden gemaakt, lijkt me productiever dan dat we ons overgeven aan al te gemakkelijke `Oranje Boven'-sentimenten.

Menigeen ziet in dergelijke gebeurtenissen aanleiding tot melancholieke bespiegelingen over de teloorgang van de Nederlandse industrie. Menno Tamminga spreekt zelfs over `uitverkoop van de nationale industrie', `het Hollands-Gloriegevoel' en het `afsterven van de identiteit van de Nederlandse industrie'(NRC Handelsblad, 3 en 11 juni). Een flink aantal kanttekeningen is hierbij op zijn plaats. De belangrijkste daarvan is dat het traditionele onderscheid tussen industrie en diensten nauwelijks meer te maken valt. Jan Hovers, bestuursvoorzitter van Océ, zegt daarover in een recent interview in FEM/De Week: ,,Ook de industrie is een dienstverlener en dat moet in de haarvaten van een onderneming doordringen.'' En dus is de kern van het bedrijf van Kommer Damen niet meer het bouwen van schepen maar het vernieuwend ontwerpen in dienst van de klant; en zijn de nieuwe concurrenten van Shell niet de andere olieraffineerders maar detailhandelbedrijven als Ahold en Tesco. Traditionele concurrentievoordelen in de industriële productie zijn steeds minder bestendig en dus zoeken traditioneel industriële bedrijven, inclusief Hoogovens, hun identiteit en voorsprong steeds meer in kennis, innovatie en dienstverlening. Dat is vernieuwing van de industrie, geen teloorgang.

Tamminga c.s. denken af en toe knap marxistisch. Zij gaan immers uit van oude gedachten dat de klassieke industrie de kurk is waarop een economie drijft, dat industrie primair is en diensten secundair en dat de welvaartswinst van industrie hoger is dan van dienstverlening. Dat is echt niet meer van deze tijd. Niet alleen omdat industrie en diensten steeds moeilijker van elkaar te (onder)scheiden zijn, maar ook omdat het gewoon niet klopt. Het is zoals voormalig Unilevertopman Maljers het in 1997 enigszins plastisch uitdrukte: er is niets mis mee als heel Nederland zijn geld zou verdienen in de bloemenexport, mits we er maar genoeg mee verdienen.

Evenmin is het waar dat het onderscheid tussen industrie en diensten er helemaal niet meer toe doet. Op tal van aspecten, zoals op die van innovatief vermogen, werkgelegenheid en milieudruk, zijn er zinnige dingen te zeggen over de verschillen tussen klassieke industrie en klassieke dienstverlening en waarom het soms beter is om zich meer met de één dan met de ander bezig te houden. Maar een zwart-witonderscheid dat leidt tot eenvoudige recepten voor economische structuurversterking is het allang niet meer.

Ook het onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse bedrijven geeft aanleiding tot allerlei verkeerde sentimenten. Hoe houdbaar is dit onderscheid eigenlijk? Hoe Nederlands is Baan? Hoe Duits is Siemens Nederland? Waar kijken we naar? Land van herkomst, land van beursnotering, land van belastingbetaling, woonplaats van aandeelhouders, plek waar de meeste activa staan of waar de meeste werknemers werken, nationaliteit van de werknemers of het management? Ook hier drijft de discussie over `uitverkoop van de Nederlandse industrie' ons in een fuik die ons niet veel verder brengt, juist omdat de economie van vandaag in toenemende mate gekenmerkt wordt door het steeds verder vervagende, want steeds minder relevante, onderscheid tussen grenzen en nationaliteiten.

Het betekent zelfs dat het alom omarmde begrip `reciprociteit' dat met name in de discussies rond liberalisering van de nuts- en transportsector zo'n rol speelt, niet heilig is. De populaire redenering luidt dat Nederland zijn markten niet zou moeten openstellen voor buitenlandse bedrijven als datzelfde buitenland niet ook zijn grenzen openstelt voor Nederlandse bedrijven. Dus geen Fransen op onze elektriciteitsmarkt als wij ook niet bij hen de markt op mogen.

Hoewel deze redenering als algemeen streven te prijzen valt, en `gewoon' een vertaling is van het beginsel van de vrije interne markt, vraag ik me af of zij altijd houdbaar is. Stel dat een Duits bedrijf, zonder staatssteun en op een goed functionerende markt, zijn zaakjes beter voor elkaar heeft dan Nederlandse concurrenten, waarom zouden wij het dan niet toelaten? Dat wij niet op de Duitse markt terechtkunnen, doet toch niets af aan de winst die met de komst van zo'n bedrijf is te boeken?

Geen industrie is ooit beter geworden van bescherming tegen scherpe concurrentie. Dat die les in andere landen niet altijd even snel door dringt als bij ons, betekent nog niet dat wij er niet naar zouden kunnen leven. Dat zou uiteindelijk wel eens in het belang kunnen zijn van zowel de Nederlandse consument als de Nederlandse industrie.

Wouter Bos is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie.