1389: het begin van een zwarte legende

De intocht van KFOR in Kosovo en de teloorgang van het Servische gezag betekenen een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de regio en de relaties tussen Serviërs en Albanezen. De geschiedenis van Kosovo, Servië en Albanië wordt kort geschetst in acht delen van een serie. Vandaag het eerste deel, over de periode tot de 19de eeuw.

Servische en Albanese historici zijn het over vrijwel alles grondig oneens. Dat begint bij de vraag wie er het eerst in Kosovo woonde. Een gewichtige vraag, zo meent men: op de Balkan staat zoiets gelijk met het vaststellen van een eeuwig eigendomsrecht.

Over de intocht van Slavische stammen bestaat geen onduidelijkheid. Zij kwamen in de loop van de zesde eeuw naar het huidige Joegoslavië. Na 610 vestigden Servische stammen zich in Zuid-Servië en expandeerden richting Kosovo, dat al grondig ontvolkt was door Gothen en Hunnen, zo heet het in Belgrado.

De afkomst van de Albanezen is echter een mysterie. Pas in 1043 worden ze voor het eerst genoemd. Tirana koestert de theorie dat de Albanezen afstammen van Illyriërs, de vroegste bewoners van de zuidwestelijke Balkan. De Albanezen hebben zo de oudste claim op Kosovo: het Dardanische rijk, dat vanaf 14 voor Christus door de Romeinen werd veroverd, valt idealiter samen met het gedroomde Groot-Albanië: Zuid-Servië, Kosovo, Albanië, Noordwest-Griekenland en Noordwest-Macedonië.

Deze theorie reduceert de Serviërs tot barbaarse veroveraars, die de proto-Albanezen de bergen injoegen. Over de Dardaniërs-Illyriërs en hun taal is echter te weinig bekend om te kunnen bewijzen dat zij de voorouders van de Albanezen zijn. ,,De minimale documentatie (...) is uitgebuit om de Servische dominantie en terreur te rechtvaardigen', treurt de Albanese historicus Asllan Pushka. Volgens een alternatieve theorie, die bijval krijgt in Belgrado, stammen Albanezen af van Thracische stammen uit de oostelijke Balkan. Rond de negende eeuw migreerden die naar het Albanese hooggebergte, eeuwen na de Serviërs daalden ze pas af in de vlakte van Kosovo.

Servië grijpt bij zijn aanspraken op Kosovo vooral terug op het Servische koninkrijk, onder het vorstenhuis der Nemanjiden in de 13e en 14e eeuw het machtigste rijk op de Balkan. Kosovo zou de wieg zijn van de natie; in Prizren vestigde keizer Dušan zijn paleis, Pec was de zetel van de Servisch-orthodoxe kerk. In werkelijkheid lag de kern van dit Servische rijk evenwel in Rascia, ten noorden van Kosovo. Kosovo werd wel het geografische middelpunt van het rijk, dat zich onder keizer Dušan (1331-1355) uitstrekte van Belgrado tot Thessaloniki.

De Servische glorietijd zou abrupt zijn geëindigd in een nederlaag tegen de Turken bij Kosovo Polje (het Merelveld) op 28 juni 1389. De legende wil dat de Servische leider prins Lazar in de nacht vóór de slag in zijn legertent de keus kreeg tussen een aards en een hemels rijk en koos voor dat laatste. De Servische edelman Vuk Brankovic zou tijdens de slag zijn zwager Lazar in de steek laten: geen nederlaag zonder Judas. Prins Lazar sneuvelde. En Miloš Obilic verwierf zich eeuwige roem door sultan Murat dood te steken. De klaprozen die het Merelveld, even ten oosten van het huidige Priština, elke zomer rood kleuren, groeien uit het bloed van de Servische helden.

Waarschijnlijk was de slag op het Merelveld echter niet zo beslissend. Het Servische rijk was in de halve eeuw daarvoor uiteengevallen. Al in 1371 hadden de Turken de Balkanvorstjes bij Marica vernietigend verslagen. De legers die in 1389 tegenover elkaar stonden, bestonden aan Turkse kant deels uit Servische, Bulgaarse, Albanese en Griekse vazallen; aan Servische kant vochten óók Albanezen, Bosniërs, Vlachen en Hongaren. De slag zelf eindigde in een soort remise. Maar terwijl de Serviërs hun verliezen niet meer te boven kwamen, bracht Bayazid, de zoon van de gesneuvelde Murat, een jaar later alweer een sterk leger in het veld. Van een totale onderwerping van de Balkan was daarmee nog geen sprake: pas halverwege de 15e eeuw kwam het tot een definitieve onderwerping van de Serviërs.

Kosovo, dat in de middeleeuwen nog een grote Servische meerderheid kende - in de oudste kerkboeken heeft slechts twee procent van de inwoners een Albanese naam - raakte onder Ottomaans bestuur `gealbaniseerd'. Waarschijnlijk ging het om druppelsgewijze migratie uit het barre hooggebergte. De Serviërs, met hun voorkeur voor dramatische gebeurtenissen, verwijzen evenwel graag naar de grote Servische exodus van 1690 en de tweede exodus van 1731. In 1689 trok een Oostenrijks leger binnen en ontketende in Kosovo een opstand tegen het Turkse bewind. Toen de Oostenrijkers werden teruggeslagen, zou de orthodoxe bisschop Arsenije III 37.000 Servische gezinnen uit vrees voor de Turkse wraak naar het noorden hebben geleid. In 1731 volgde na een tweede opstand een tweede Servische exodus.

De Britse historicus Noel Malcolm heeft deze exodus-legende vorig jaar genuanceerd. De opstand van 1689 ging uit van katholieke Albanezen èn van orthodoxe Serviërs; in het kielzog van de Oostenrijkers trokken niet slechts Serviërs maar ook veel Albanezen weg. De meeste inwoners van Kosovo, Serviër of Albanees, zaten volgens Malcolm de Turkse furie uit in de heuvels, ,,zoals ze dat deden bij eerdere crisissen'.

De groeiende Albanese dominantie in Kosovo onder de Ottomanen hing samen met het feit dat de rooms-katholieke Albanezen zich veel gemakkelijker dan Serviërs tot de islam bekeerden. Moslims genoten binnen het Ottomaanse Rijk belastingvoordelen en konden carrière maken. In Servische ogen zijn Albanezen daarom nog steeds, net als de Bosnische moslims, `Turken'. Terwijl de Servische natie op het Merelveld koos voor een hemels koninkrijk, ontpopten Albanezen zich in Servische ogen tot collaborateurs die hun religie verloochenden voor aards gewin. En dat zijn ze nog steeds.