Zeven dwergen en een besnord Sneeuwwitje

De Italiaanse premier D'Alema zal resultaten moeten laten zien, wil hij bij volgende verkiezingen kans maken. Voorlopig moet hij gefrustreerd constateren dat hij afhankelijk is van zeven dwergpartijtjes.

In de negen maanden dat Massimo D'Alema regeert als de eerste linkse premier van Italië, heeft zijn coalitie zoveel deuken opgelopen dat die nu denigrerend wordt omschreven als `de zeven dwergen en Sneeuwwitje met een snor'.

Nog nooit heeft zijn eigen partij, de pijler onder de centrum-linkse coalitie, er zo slecht voorgestaan. Bij de Europese verkiezingen van vorige week zakten D'Alema's Linkse Democraten naar een historisch dieptepunt van 17,4 procent. Links heeft na decennia wachten regeringsverantwoordelijkheid gekregen en een eigen man als premier, maar het resultaat is een diepe identiteitscrisis.

`Sneeuwwitje' D'Alema (de typering is van de columnist Beppe Severgnini) probeert alles om uit de malaise te komen. Hij heeft gisteren zijn minister van Arbeid vervangen, Antonio Bassolino, die een moeilijk te combineren dubbelfunctie had als burgemeester van Napels. Zijn partij houdt begin volgend jaar een congres, op zoek naar nieuw elan. Maar D'Alema moet gefrustreerd constateren dat hij afhankelijk is van zeven dwergpartijtjes in zijn coalitie, die samen 11,4 procent van de stemmen kregen. De ervaring leert dat die partijtjes voortdurend het kabinet zullen chanteren om hun eigen positie veilig te stellen.

In zekere zin is D'Alema slachtoffer van zijn eigen strategie. Hij heeft zich steeds verzet tegen een brede linkse partij naar het model van de Amerikaanse Democraten. D'Alema heeft de veelbelovende Olijfcoalitie die Romano Prodi in 1996 aan de macht bracht, doelbewust laten afsterven en Prodi met een `paleiscoup' vorig najaar uit de weg geruimd. D'Alema wil niet samenwerken met andere linkse groepen, hij wil de baas spelen, zegt zijn voorganger als partijleider, Achille Occhetto.

Ook zijn eigen aanhang is teleurgesteld over D'Alema. Hij had een moeilijke start met de affaire Öcalan, de leider van de Koerdische Arbeiderspartij PKK die asiel kwam vragen in Italië, maar kwam daar zonder persoonlijke kleerscheuren uit. Zijn optreden tijdens de acties tegen Joegoslavië, toen hij als een staatsman de coalitie bij elkaar wist te houden, heeft onder NAVO-bondgenoten veel waardering geoogst.

Maar de kiezers kijken meer naar de binnenlandse politiek, en moeten constateren dat D'Alema geen antwoord heeft op de aanhoudend hoge werkloosheid en de tegenvallende groei. Wat ook onder zijn eigen aanhang veel wenkbrauwen heeft doen fronsen is zijn bereidheid om samen te werken met drie groepjes overlopers uit het rechtse kamp. ,,Voor hem zijn alle politieke koersen best, als hij zelf maar in het centrum van de macht blijft'', oordeelt Occhetto.

Twee partijen die wel in de richting van een tweestromenland werken en in dezelfde vijver (met centrum-linkse kiezers) vissen als D'Alema, hebben bij de Europese verkiezingen eclatante successen geboekt. De Democraten van Prodi en oud-officier van Justitie Antonio Di Pietro, en de lijst-Bonino, de omgevormde Radicale Partij met als lijsttrekker voormalig Eurocommissaris Emma Bonino, kregen ieder ongeveer acht procent van de stemmen. De belofte van vernieuwing levert stemmen op.

D'Alema's belangrijkste bondgenoot, de Italiaanse Volkspartij, kelderde naar vier procent. Dat alles bij elkaar vormt een niet mis te verstane waarschuwing. Wil hij bij de volgende parlementsverkiezingen, over twee jaar, een kans maken, dan moet hij resultaten laten zien. En hij zal zijn wat arrogante houding tegenover de Democraten (`wat jullie willen kan toch niet en wij zijn nu eenmaal veel groter en sterker') moeten laten varen. Zonder de Democraten was de coalitie ver onder de veertig procent gezakt die D'Alema zich voor de Europese verkiezingen als doel had gesteld. Nu kon hij nog net 41 procent bij elkaar sprokkelen.

Misschien kan de groeiende verdeeldheid bij rechts hem in de kaart spelen. Oppositieleider en mediamagnaat Silvio Berlusconi haalde, mede door een bombardement van politieke spotjes op zijn drie commerciële tv-zenders, een kwart van de stemmen, zo'n vijf procent meer dan drie jaar geleden. Zijn partij Forza Italia is nu de grootste partij.

Maar er groeit een kloof tussen Berlusconi en Gianfranco Fini, de leider van de Nationale Alliantie, de voormalige neofascisten. Berlusconi wil opschuiven naar het centrum. Hij droomt van een brede volkspartij zoals de christen-democraten dat vroeger waren. Ook Fini wil zich verbreden, maar zijn einddoel is juist een duidelijk herkenbaar rechts blok, binnen een politiek tweestromenland. Hij is voor de Europese verkiezingen een lijstverbintenis aangegaan met Mario Segni, die al jaren campagne voert voor politieke hervormingen, en koesterde de stille hoop Berlusconi voorbij te streven of in ieder geval naar de kroon te steken.

Dat is volledig mislukt. Fini, die ook al moest toezien hoe `zijn' club Lazio in de race om het kampioenschap op het laatst werd ingehaald door AC Milan van Berlusconi, leed een gevoelige nederlaag. Hij bleef steken op ruim tien procent, tegen vijftien procent drie jaar geleden. In een fel debat binnen de partijleiding eind vorige week bood hij zijn aftreden aan. Nadat de koppen waren geteld besloot hij aan te blijven, maar de strijd binnen zijn partij is nog maar net begonnen.

Een andere verliezer is Umberto Bossi, van de separatistische partij Lega Nord. Hij kwam niet verder dan 4,5 procent, maar kreeg zondag uitdrukkelijk de gevraagde steun van zijn partij. Bossi probeert nu te profiteren van de problemen van D'Alema. In de tweede ronde van lokale verkiezingen zondag wil hij steun ruilen met links. Het kan een prelude vormen op verdere samenwerking. D'Alema moet nu de vraag beantwoorden hoeveel concessies hij wil doen om aan de macht te blijven.