Tango

`Niemand die hen aanvalt kan ontsnappen', schreef Herodotus zo'n 2500 jaar geleden over de strategie van de Scytische steppenomaden: almaar terugtrekken in hun onmetelijke land, totdat de vijand verhongerd is, en de jager veranderd is tot prooi. Zo verging het ook de Duitsers in Stalingrad, in die ijzige winter van 1942/43. Het Rode Leger belegerde de belegeraars, de steppe lag op den duur vol paardenkadavers en zwart bevroren infanteristen, en als het front even rustig was, schalde tangomuziek over de schemerige vlakte – want de Russen hadden uitgevonden dat Duitsers daar het allertreurigst van werden.

Stalingrad was net zo'n brandhel als Verdun. Wie zijn leven lief had wilde weg. Antony Beevor vond bij het archiefonderzoek voor zijn boek `Stalingrad' dat de Sovjets ongeveer 13.500 deserteurs executeerden, qua aantal een volledige divisie. In het museum liggen wat spullen die op de Duitse lijken zijn gevonden: trouwringen, een vulpen, een horloge, een minuscuul heiligenbeeldje, wat brieven. `Gisteren weer, zoals zo vaak, een kameraad die door een voltreffer uiteenspatte.' `Nu zingen we kerstliederen. Daarna zit iedereen in zijn hoekje en denkt aan thuis.' `Ik wens wanhopig dat je bij me bent. Hoe sterk, dat kun jij, liefste, als enige mens op deze wereld begrijpen.'

Het oorlogsmonument bevat een grote gouden koepel met tienduizend dode namen en vier nog nauwelijks levende wachtposten. Elke drie minuten barst er een treurkoor los. Daarachter ligt het gedenkteken van de treurende moeder, een betonnen piëta met een dommig vijvertje. Maar toch, een piëta.