`Plundering? Alles is toch eigenlijk van de Albanezen'

Een Albanese man gooit met stenen de ruit kapot van een Servische winkel in Pec, in het westen van Kosovo. Zo'n veertig mensen dringen zich door het gat naar binnen en slepen zakken suiker, waspoeder, meel, flessen olie en potten jam en tomatenpuree naar buiten. Italiaanse KFOR-militairen staan een paar meter verder, hun hoofdkwartier is aan het eind van de straat. Ze doen niks.

Een tolk van de hulporganisatie UNHCR rijdt langs, stopt en roept: ,,Houd daarmee op. Jullie verlagen jezelf tot het niveau van de Serviërs.'' De plunderaars roepen terug dat hij zich met zijn eigen zaken moet bemoeien.

Dan komt er een soldaat van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK. Visar Krasniqi begint te schreeuwen en probeert de mensen de winkel uit te trekken. De winkel is van een Serviër die een dag eerder is gevlucht. Na tien minuten schelden en duwen heeft hij de plunderaars onder controle. Drie andere UÇK-soldaten lopen tien meter verder. Ze zien een deel van de gestolen spullen op de stoep staan, pakken die op en lopen ermee weg. ,,Wat de anderen doen kan me niet schelen'', zegt Krasniqi. ,,Ik heb orders. We moeten dit stoppen. Er zijn zoveel mensen die honger hebben.''

Een kwartier later staat Visar Krasniqi in de etalage van de winkel en deelt zelf de spullen uit. De mensen staan in een rij te wachten tot ze iets van hem krijgen.

,,Zo is het afgesproken met de Italianen'', zegt Erthem Ceku, UÇK-commandant van Pec. ,,De plunderingen zijn toegestaan, omdat de mensen zoveel tekort komen. Maar het moet geen chaos worden.'' Onzin, zeggen de Italiaanse militairen bij een checkpoint in de stad. Als ze denken dat ze iets doen kunnen tegen de plunderingen, doen ze dat. Een dag eerder nog bewaakten ze een Servische zaak die al helemaal leeggehaald was. CBS filmde hoe ze een jongetje tegenhielden. Het probeerde in de puinhoop nog iets te vinden dat de moeite waard was. Zijn vader kwam hem zoeken en werd ook door KFOR apart gezet en bewaakt. Zij waren een voorbeeld, zeiden de militairen, voor de andere plunderaars in de stad.

In een buitenwijk halen Albanese vrouwen en kinderen een flat leeg waar tot voor kort Servische vluchtelingen uit Kroatië wonen. Blerta Zinili (14) zit met een te grote zonnebril op een lading spullen die haar vader met een kar zal komen ophalen. Kleren, meubels, een koelkast. Het UÇK heeft gezegd dat zij alles van de Serviërs kunnen pakken, vertelt ze. ,,omdat ze toch eigenlijk alles van de Albanezen is''. Blerta is erg tevreden met de zonnebril. ,,Ik heb alleen nog geen spiegel.''