Mijnen zullen meer levens eisen

Kosovo ligt vol landmijnen en onontplofte clusterbommen. Denken deze allemaal te kunnen ruimen is een illusie. Gisteren vielen de eerste doden.

De Britse Gurkha-soldaten, van wie er gisteren twee bij een explosie van onontplofte NAVO-bommen omkwamen, waren als eerste KFOR-soldaten per helikopter op een weg in Kosovo afgezet. Daar gebeurde iets merkwaardigs. De eenheid van rond twaalf man maakte zich niet onmiddellijk onzichtbaar in de natuurlijke dekking aan de kant van de weg, maar bleef op het kale asfalt liggen, slechts beschut door hun rugzak. De reden voor deze grote militaire no-no: mogelijk landmijnen, of andere explosieven in de berm. Deze manier van optreden illustreerde hoe serieus KFOR de dreiging van deze `sluipmoordenaars' neemt. De slachtoffers van gisteren, die vielen bij het inspecteren van zogeheten `submunitie', tennisbalgrote bommetjes uit een BLU-97 clusterbom, tonen aan dat zelfs de grootste voorzichtigheid niet voldoende is.

In Kosovo liggen nog duizenden resten van clusterbommen, granaten van afgewerkt uranium en blindgangers. Daarnaast wordt aangenomen dat er door de Serviërs tussen de vijftig- en honderdduizend landmijnen zijn gelegd. Hoewel in het `militair-technisch akkoord' is overeengekomen dat Servische troepen een precieze opgave zouden doen van waar ze welke mijnen en explosieve valstrikken (booby-traps) hebben achtergelaten, is daarvan in de praktijk hoegenaamd niets van te merken. Overigens heeft ook het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK mijnen gelegd.

Het gaat om twee soorten: anti-personeelmijnen en anti-tankmijnen. Joegoslavië produceert zo'n zestig types, de meeste gebaseerd op Sovjet-modellen. Antitankmijnen zijn het minst gevaarlijk voor onoplettende burgers en militairen. Deze gaan doorgaans pas af als er een druk ter grootte van een tank op wordt uitgeoefend: wel 50 ton. Mijnen die gericht zijn tegen mensen kunnen dodelijk simpel zijn, maar ook van een akelig vernuft. De meeste bestaan uit een stok met daarop een soort handgranaat. De staak kan in de grond worden gestoken en aan de pin van de granaat een struikeldraad worden bevestigd. Wie er tegenaan loopt is dood, of tenminste zwaar gewond. Vanuit vijandelijk oogpunt is dat laatste zelfs nog wenselijker, omdat het de tegenstander demoraliseert en hem, in de vorm van medische verzorgers, meer mankracht kost. Eén van de gemeenste mijnen is de PROM-1 die bij afgaan eerst tot onderbuikhoogte de lucht inspringt en vervolgens honderden metalen scherven in het rond slingert. Bereik: 100 meter.

Zoals de ervaringen in Angola, Afghanistan, Koeweit en Bosnië uitwijzen is het ruimen van mijnenvelden waarvan de ligging bekend is, al notoir lastig. Ze worden nooit allemaal gevonden, in die landen vallen nog dagelijks slachtoffers. Hoewel veel geld wordt besteed aan het vinden van methodes voor het opsporen van mijnen, blijft de zogeheten `prikstok' waarmee een militair op zijn buik liggend voorzichtig de grond aftast verreweg het meest effectieve instrument. Metaaldetectoren bijvoorbeeld werken niet bij landmijnen van glas, hout of plastic.

Zoals al veel teruggekeerde vluchtelingen op straffe van zware verwonding hebben moeten constateren, zijn in Kosovo ook op veel plekken booby-traps aangebracht: in stapels brandhout, in boomgaarden en in scholen. Het opruimen hiervan kan jaren kosten.

De gevaarlijke situatie in Kosovo legt eveneens de betrekkelijkheid van het verdrag tegen anti-personeelmijnen dat 134 landen kort geleden tekenden – waaronder Joegoslavië. In een oorlogsituatie blijkt deze zogeheten Ottawa-conventie slechts tot een prijzenswaardig, maar nutteloos voornemen.