De lieverdjes

In de jaren zeventig heeft het er even naar uitgezien dat Amsterdam in FC Amsterdam een tweede profclub zou krijgen die enigszins als concurrent van Ajax kon fungeren. Dé Stoop was directeur van een liftenfabriek bij Voorburg en bereid en in staat om veel geld te fourneren, waardoor het Olympisch Stadion een vaste bespeler kreeg en de hoofdstad tijdens het voetbalseizoen wekelijks prominent voetbal kon offreren. Gelukt is het nooit, want de tribunes bleven doorgaans grotendeels leeg, waardoor een Amsterdamse bestuurder radiocommentator Dick van Rijn serieus de vraag stelde of híj nu eens het commentaar mocht verzorgen. ,,Dan wordt er eindelijk eens een keer níet gesproken over een grote, lege steenklomp.'' Het ging niet door.

De club van Stoop, die eerder voorzitter van DWS was geweest, waar Flinkevleugel en Jongbloed vandaan kwamen, was er wel een waar altijd iets aan de hand was. Dat kwam door de voorzitter, die goochelde met contractbedragen en premies, altijd de publiciteit zocht, maar tussen de bedrijven door het zaakje op de been hield in financieel opzicht. Het kwam ook door de mentaliteit van de opvallendste spelers: Flinkevleugel, Jongbloed, Fransz, Bianchi, Nico Jansen.

Op Rob Bianchi na waren het allemaal jongens van de gestampte pot en in dat geheel paste trainer Van der Meent wonderwel. De meesten hadden een hekel aan trainen, namen een loopje met de discipline, maar meestal stonden zij pal als er een wedstrijd moest worden gespeeld. Een topploeg was het niet, eerder een zootje ongeregeld. Maar talent was er zeker en de voorhoede met Geert Meijer, Nico Jansen en Gerard van der Lem was een van de beste van Nederland.

In het seizoen '74-'75 werden er een paar aansprekende internationale resultaten geboekt. Zo werd voor de Europa Cup het trotse Inter Milaan verslagen, nadat de voorbereiding lekken had vertoond. Op de avond voor de match moesten alle spelers uiterlijk om elf uur 's avonds in het hotel terug zijn, maar alleen de trainer en de fysiotherapeut waren op tijd. Bij het bezoek aan Milaan haalde Flinkevleugel een groot kruis van de muur en droeg het door de hele kerk. Maar de ploeg won en schakelde Inter en Fortuna Düsseldorf uit, waarna het tegen de FC Köln in een onbesuisde krachtmeting misging.

Stoop schoot af en toe uit z'n slof en nam de spelersvrouwen mee naar Mallorca, waarbij de mannen thuis moesten blijven. Helaas verloor hij zijn jarenlange strijd tegen de gemeente Amsterdam, die niet met geldelijke steun over de brug wilde komen. Ook het gevecht met de toeschouwers ging verloren. Na een aardige start liet het publiek het grotendeels afweten, zodat de club uiteindelijk op het bijveld van het Olympisch Stadion belandde.

Een en ander wordt in het onlangs verschenen boek De lieverdjes smakelijk verteld door de journaliste Marcelle van Hoof, die een veelheid van nabij betrokkenen aan het woord laat. De FC Amsterdam was waarschijnlijk de apartste club in het Nederlandse betaald voetbal. Langer dan tien jaar heeft zij het niet kunnen volhouden. Jammer. Een pure voetbalstad was en is Amsterdam toch niet. Op hemelvaartsdag 1982, tien jaar na de oprichting, speelden de lieverdjes hun laatste wedstrijd. Materiaalman Jan Wieseman sliep toen al niet meer in het ballenhok.