De laatste leerlinge van Montesquieu

Winnie Sorgdrager kijkt in haar gebundelde opstellen over justitie en politiek (Een verantwoordelijke minister) zonder wrok of verbittering terug op haar mislukte politieke carrière. Veel wetgeving geproduceerd, veel KB's geslagen, maar geen politieke successen geboekt. Eerder het tegendeel: net niet ten val gebracht, net aan een conflict met het kabinet ontsnapt en lang gedubieerd om de eer aan zichzelf te houden. Van alle ministers had ze de meeste politieke incidenten op haar naam staan en ze had het meest te stellen met eigengereide of onbetrouwbare ambtenaren. Haar relatie met het parlement was aan het einde van de kabinetsrit gehavend en haar politieke reputatie geruïneerd.

Niettemin is de toon van haar boek niet rancuneus en ze schrijft zelfs met onthechte neutraliteit over haar eigen politieke zwakheden. Dat doet ze ook over haar afkeer van de mores van het Binnenhof, waaraan ze zich weigerde te onderwerpen. Als auteur verschaft ze een beter inzicht in de doelstellingen van haar beleid dan ze doorgaans als minister in het parlement deed. Met een aan zelfontkenning grenzende objectiviteit geeft ze ook goede verklaringen voor de valkuilen waarin een minister kan terechtkomen als die niet vertrouwd is met de politieke codes van het vak, lees: koehandel en handjeklap.

Sorgdrager was een politieke buitenstaander met weinig kennis van de parlementaire zeden toen ze tot minister van Justitie werd benoemd. Ze had er geen idee van dat een groot deel van het regeringsbeleid in informeel overleg met geestverwante leden van de Tweede Kamer wordt voorgekookt en ze wist evenmin dat nieuwe bewindslieden die gewoontes niet ongestraft kunnen negeren, laat staan afschaffen. Winnie Sorgdrager was niet zozeer een vreemde in het Jeruzalem van de politiek, als wel een afkerige nieuwkomer, die geen zin had in achterkamertjesoverleg met de Kamer. Met haar achtergrond van het strafrecht (nog maar kort tevoren benoemd tot procureur-generaal) was ze gevormd in de beginselen van de staatkundige machtenscheiding. In de sfeer van de strafrechtspleging wordt daar nog wel de hand aan gehouden. Daar zal een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie niet gauw zijn stek verlaten om met een rechter of een advocaat over een zaak van tevoren te overleggen. Als minister werd ze geacht mee te doen met de gewoontes van het Binnenhof, waar alle machten onder één deken slapen en het staatkundig dualisme met de mond wordt beleden, maar in de praktijk allang om zeep is gebracht. Sorgdrager paste daarvoor, maar ze was ook weer niet bereid om zich ervoor dood te vechten.

Sorgdrager was een typische trias-denker. Als minister – de laatste leerlinge van Montesquieu – hield ze vast aan de leer van de eigen verantwoordelijkheid en ze maakte er geen geheim van dat ze niets zag in de overlegcultuur van het parlementaire bedrijf. Ze had geen zin Kamerleden te ontvangen of op te zoeken en in onderonsjes te bespreken hoe ze het zou aanpakken. Haar standpunt luidde: U hebt uw eigen verantwoordelijkheid, ik heb de mijne, u moet maar afwachten wat er uit de bus komt. Het kabinet regeert, de Kamer controleert. Als ze dat beginsel krachtiger had verdedigd, zou ze niet alleen minder kleerscheuren hebben opgelopen, maar ook nog haar politieke reputatie intact hebben gehouden.

Bij de verdediging van haar beleid in de Kamers – vooral naar aanleiding van incidenten – deed zij zich kennen als een weinig capabele, iets te laconieke manager, die niet blind kon varen op haar ambtenaren en in een aantal gevallen voor schut ging doordat zij onvolledig was ingelicht. In een aantal gevallen stond ze machteloos, doordat er ambtelijke sabotage in het spel was. In andere gevallen werd de informatie haar rondweg onthouden. Haar ambtenaren konden niet de erkenning over hun lippen krijgen dat de politie en het OM fouten hadden gemaakt in het onderzoek naar de ten onrechte van incest verdachte politiechef van Schiermonnikoog. Sorgdragers verweer dat een minister niets kan doen tegen zulke tegenwerking is op het eerste gezicht steekhoudend. Maar haar beroep op overmacht overtuigt niet helemaal.

Sorgdrager miste misschien niet eens de vereiste hoeveelheid argwaan om niet alles te geloven wat haar adviseurs haar vertelden, maar wel gevoel voor onraad. En bovenal: het instinct voor gevaren dat haar op het goede moment had moeten waarschuwen voor lieden die haar belazerden. Ze ging er van uit dat alle ambtenaren even eerlijk, fatsoenlijk en deskundig waren. Dat was een naïeve misrekening, maar daar kon ze zich in de Kamer niet op beroepen. De verhoudingen op het ministerie waren tenslotte zo door onderlinge argwaan aangetast dat de rijksrecherche er aan te pas moest komen om de bronnen van uitgelekte bedrijfsruzies op te sporen. Het ene opsporingsonderzoek was nog niet voltooid of het volgende diende zich al aan. Op die interne muiterij kon zij zich in de Kamer evenmin beroepen.

Sorgdragers remedie tegen dit alles is een betere voorbereiding op het ministerschap. Daar komt ze wat laat achter. Maar dat maakt haar klacht niet minder ongegrond. Ze zegt in dezelfde woorden wat ik hier vorige week schreef: dat te veel ministers aan het ministerschap beginnen zonder te weten wat het ambt behelst en zonder enige kennis van de inwendige werkelijkheid van de bureaucratie. Sorgdrager had een stoomcursus voor het ministerschap willen doen en gedurende enkele weken door een oude rot in het vak willen worden begeleid. Dat is een even onbekookt als onhaalbaar idee. Een typisch idee van iemand uit een partij die vaak en veel technische plannen voor staatkundige vernieuwing heeft gelanceerd, maar nog nooit een begin heeft gemaakt met de anatomische ontleding van de bureaucratische machtsstructuren van de staat.