De Bende van de Zwarte Hand

Het is nu een keurige nieuwbouwwijk, de Prinsenkamp. Maar veertig jaar geleden was het in onze beleving een woest en schier ondoordringbaar niemandsland waar onze `Bende van de Zwarte Hand' en de `Bende van Johnny Bot' elkaar te vuur en te zwaard bestreden.

Er waren nog meer bendes in het dorp waarmee je neutrale, vriendschappelijke of vijandige relaties onderhield. In het wisselen van de bondgenootschappen verschilde onze kinderpolitiek niet van die van de grote wereld. Ook als individueel jongetje vocht je soms mee met andere bendes waarvan een buurjongetje of schoolvriendje lid was.

Soms maakte een aantal bendes gezamenlijk front tegen een bende die duidelijk te machtig werd en te brutaal begon op te treden. Zo werd in de zomer van '59 de Bende van Vaartjes met vereende krachten en met behulp van een nieuw wapen, namelijk een enorme leren zweep, die bekwaam werd gehanteerd door ene Rudi – die voor de gelegenheid was geleend van de bevriende Tonnendijk-Bende – teruggedreven naar hun thuisbasis. Een hol achterin een braakliggend terrein aan de Irenestraat dat vervolgens met keien en straatklinkers in elkaar werd gegooid. Het heeft ze maanden gekost om de schade te herstellen en als bende weer enigzins mee te tellen.

Het hol, daar ging het om. Dat was de basis van elke bende.

Het bestond uit een rechthoekige of vierkante kuil van ongeveer een meter diep die was bedekt met stammetjes of balken met daar overheen takken en graszoden. Een smalle sleuf van een à twee meter vormde de toegang. Ook deze werd zo goed mogelijk gecamoufleerd. Een goed hol – daar kon je overheen lopen. De bodem was bedekt met hooi of stro.

Zo zaten we dan in het half duister, bij een flakkerend kaarsje. We voerden gewichtige gesprekken en aten daarbij onze meegebrachte etenswaren of gejatte appels. Sst! ik hoor wat. Terwijl we ons muisstil hielden sloop een van ons naar de uitgang en keek voorzichtig of er soms vijanden in de buurt waren.

Het gebeurde wel eens dat een jongetje uit de buurt, dat nog te klein was om bendelid te worden, het hol ontdekte. Om te voorkomen dat hij de plek zou verraden werd hij gepaaid met lekkers, dan wel bedreigd met lichamelijk geweld.

Onze bewapening bestond uit pijl en boog, katapult of slinger. Mijn broer Jan, die zeer bedreven was in het hanteren van dit laatste instrument, gooide eens vanaf zo'n 300 meter een gat in een raam van de Hervormde Kerk.

Als slagwapens gebruikten we zwaard en tomahawk. Deze laatste twee werden door vader of een oom uit triplex gezaagd. De modellen haalden we uit de Taptoe. Een strip waarin de indiaanse krijger Slangentand figureerde was voor ons een bron van inspiratie. Wat later kwamen daar de boeken van P. Nowee bij met Arendsoog en Witte Veder.

Ook wij waren destijds op zoek naar superwapens die ons een voorsprong konden geven op andere bendes. Zo hebben we eens een oude kersenboom van takken ontdaan en van de gevorkte stam met behulp van oude binnenbanden een reuzenkatapult gemaakt. Met zijn vieren hingen we eraan om de eerste klinker af te schieten. Toen deze echter met veel geraas een gat in het dak van de boerderij van Reytenbach sloeg, wisten we niet hoe snel we het wapen weer moesten ontmantelen.

Ons mooiste wapenfeit was wel het onder water laten lopen van het hol van de bende van Johnny Bot. Op een zaterdagmorgen hadden we in alle vroegte een greppel gegraven van een sloot naar het hol. Zonder te hoeven vechten hadden we de vijand een gevoelige slag toegebracht. In triomf keerden we terug naar onze eigen ondergrondse schuilplaats.