`Palestijnen weten niet meer waarvoor ze moeten vechten'

De Palestijnen zijn niet meer de Palestijnen van de Intifadah. Apathie heerst in de autonome gebieden. ,,Waarom zouden we strijden voor meer van deze ellende?''

Toen Ruba Ibrahim begin deze maand de krant opsloeg, las ze een oproep van het Palestijnse Gezag om massaal te demonstreren tegen de voortgaande Israelische bezetting, en de 23 nederzettingen die Israel de laatste drie jaar op de Westelijke Jordaanoever gebouwd heeft. Ook op radio en televisie werd iedereen gemobiliseerd voor deze `Dagen van Woede'. Een paar jaar geleden had Ruba, een 28-jarige doctorandus in de Franse en Engelse taal met een grote bos krullend haar, zich geen moment bedacht. Als er ergens in Ramallah stenen naar Israelische soldaten gegooid werden, was zij erbij. Nu dacht ze: ,,Bekijk het maar.'' Later hoorde ze dat er haast niemand was komen opdagen voor die Dagen van Woede. ,,Geen wonder'', zegt Ruba. ,,Palestijnen weten niet meer waarvoor ze moeten vechten. Destijds vochten we voor vrijheid en onafhankelijkheid. Wat kregen we? Autonomie op een paar vierkante meter, Israelische controleposten en een corrupt zelfbestuur dat blijft geloven dat je dit een `vredesproces' kunt noemen. Ieders leven is erop achteruitgegaan, behalve dat van de leiders die in dure auto's rijden en in villa's wonen. Waarom zouden we strijden voor meer van deze ellende?''

Men zegt weleens dat volksopstanden en revoluties alleen ontstaan in tijden van hoop, als mensen hoge verwachtingen hebben. Als ze niets verwachten en nergens op hopen, hebben ze ook niets om voor te vechten. Als die theorie ergens opgaat, is het wel in Palestina. Palestijnen waren altijd dromers, idealisten. In 1987 kwamen ze in opstand tegen Israel omdat ze dachten dat ze de bezetting van zich af konden schudden. ,,We zagen de angst in de ogen van de Israelische soldaten'', zegt Ruba. ,,Dat gaf ons macht. We dachten dat we de wereld konden veranderen.''

De wereld veranderde inderdaad. Israel tekende de Oslo-akkoorden met de PLO, Yasser Arafat vestigde in 1994 zijn autonoom Gezag in Gaza en enige steden op de Westelijke Jordaanoever. Maar 91 procent van die gebieden is nog deels of geheel in Israelische handen, en het zelfbestuur maakt er volgens veel Palestijnen een potje van. Volgens opiniepeilingen noemt 72 procent het Gezag corrupt. De helft heeft geen vertrouwen in politie en veiligheidsdiensten. Nog maar 26 procent vindt het bestuur democratisch genoeg. Arafats populariteit zakte naar 40 procent.

,,Het is nooit erger geweest'', zegt Khalil Shikaki van het Center of Palestine Research and Studies in Nablus, die deze peilingen elk kwartaal uitvoert. ,,Mensen zijn ontgoocheld. Ze geven het Gezag net zo hard de schuld als Israel. Dus als dat zegt: komop mensen, koel uw woede op de Israeliërs, wordt het vierkant uitgelachen.''

Drie, vier jaar geleden, spraken mensen de hele dag over `de situatie'. Nu omzeilen ze het onderwerp, want het maakt hen depressief. Ze maken geen grapjes meer over het Palestijnse kabinet, maar over Arafats impotentie. Palestijnen zijn cynisch en apathisch geworden. ,,Vroeger draaide alles om idealen'', zegt Barhoum, een 30-jarige barman in Bethlehem. ,,Nu om geld.''

Op een van de Dagen van Woede zat hij met een handelaar in auto-onderdelen koffie te drinken. Verderop demonstreerde een handvol mensen bij de Israelische controlepost. Tijdens de Intifadah zat Barhoum keer op keer in de Israelische gevangenis. Geen denken aan dat hij dat er nu nog voor over heeft. ,,Mannen met wie ik toen vocht, werken nu voor Arafats veiligheidsdiensten. Ze maken ons het leven zuur. Zo wilde ik een toerisme-examen doen. De aanmeldingsformulieren moet je bij de veiligheidsdienst kopen. Ik kreeg ze niet. Ze zeiden: jij bent tegen Arafat, verrader!'' Diezelfde mannen vroegen hem vandaag om te demonstreren. Hij keek wel uit. Anderen ook. De enige demonstranten waren de organisatoren.

1996 vormde het keerpunt, toen premier Netanyahu de beruchte tweede toegang tot de tunnel in Jeruzalem opende. Het Gezag riep op tot verzet. Meer dan zeventig Palestijnen kwamen om. Arafat verloor door het geweld veel Westerse sympathie, en concludeerde dat hij Netanyahu beter diplomatiek dan op de barricades kon bestrijden. Sindsdien mogen Palestijnen alleen tegen Israel protesteren als Arafat het nuttig vindt, en liefst zonder een steen te gooien. Netanyahu ging door met nederzettingen bouwen en stopte troepenterugtrekkingen zonder noemenswaardig Palestijns protest. ,,Arafat denkt dat volkswoede een knop is die je aan en uit kunt zetten'', klaagt Barhoum. ,,Soms moeten we demonstreren tegen Har Homa en Ras al-Amud in Jeruzalem, waar joodse wijken op ons land worden gebouwd, en soms niet. Ofwel, soms moeten we ervoor sterven, soms niet. Intussen komen die wijken er gewoon.'' De jongeren van Arafats Fatah-partij, de tanzim, onder wie in 1996 de meeste slachtoffers vielen, weigeren nog langer als kanonnenvlees gebruikt te worden. Zij riepen voor de Dagen van Woede iedereen op om thuis te blijven.

Soms, zegt Ruba, weten Palestijnen niet meer wie ze willen bevechten: Israel of het eigen bestuur. Dus blijven ze thuis en proberen zoveel mogelijk geld te verdienen. De frustratie vindt nieuwe uitlaatkleppen: familievetes, vechtpartijen op school, criminaliteit, incest en verkrachting. Maar een Palestijnse burgeroorlog ziet ook zij er niet van komen: ,,Geen energie. Mensen zijn slap geworden, geloven zelfs niet meer dat ze hun eigen leiderschap kunnen veranderen. In plaats van corruptie te bevechten, doen ze eraan mee.'' Ruba gaat alleen nog de straat op voor `haalbare doelen': een paspoort voor vrouwen zonder de handtekening van hun vader of echtgenoot, een wet die voorkomt dat meisjes van 15 worden uitgehuwelijkt. Ze werkte een tijdje op het ministerie van Onderwijs, maar werd zo beroerd van de ad-hocbeslissingen en nepotistische benoemingen dat ze ontslag nam. Vijf procent van haar salaris werd ingehouden voor werklozen, ,,maar dat geld ging naar nieuwe auto's voor Arafats vertrouwelingen''. Nu werkt ze voor de non-gouvernementele organisatie van Hanan Ashrawi, haar voormalige minister, die lobbiet voor democratische hervormingen. Voor het eerst van haar leven wil Ruba misschien emigreren.

Het contrast met de hubris van vroeger pijnigt haar het meest. Palestijnen verkondigden altijd trots dat zij de best-opgeleide, slimste en dapperste Arabieren waren. Wij bouwden de Golf op. Wij zijn de echte democraten. Wij vormen het front tegen Israel, zijn de enigen die geen concessies doen. ,,Nu lachen andere Arabieren ons uit'', zegt Ruba. ,,Terecht. We zijn door de mand gevallen. We zijn inderdaad geen haar beter dan zij.''