Paars moet Nederland opstuwen naar vernieuwing

Paars-II moet actief gaan werken aan de vernieuwing van Nederland, vindt Thom de Graaf. Vooral de politiek-ambtelijke verhoudingen en de toekomst van de overheidsdiensten behoeven een ingrijpende herstructurering.

De paarse coalitie is weer opgekrabbeld. Dat ging – zoveel is iedereen duidelijk geworden – niet zonder slag of stoot. Niet alleen de door de bevolking breed gevoelde behoefte aan directe zeggenschap (het referendum) stond op het spel, maar ook het vertrouwen tussen de coalitiepartners. Politiek gaat om het vechten voor idealen, het sluiten van compromissen en het nakomen van afspraken. Juist omdat er geen zekerheden bestaan in de politiek, is vertrouwen tussen samenwerkende partijen het sleutelwoord.

De overeenkomst over de invoering op korte termijn van een wettelijk referendumrecht dat naar de vorm raadgevend zal zijn, maar in materiële betekenis correctief, heeft daartoe de weg gebaand. PvdA, VVD en D66 hebben daarmee laten blijken gezamenlijk verder te willen werken aan de vernieuwing van Nederland.

En dat is hard nodig. Het kabinet heeft geen gelukkig eerste jaar gekend. Het publieke beeld werd bepaald door discussies en `lijken in de kast' die uit de vorige periode stamden. Zoals bijvoorbeeld het gedoe over de cijfers van Schiphol, wel of geen onderzoek naar Srebrenica en natuurlijk de Bijlmerenquête. Allemaal zaken die de essentie raken van de verhouding tussen regering en parlement en daarom het debat meer dan waard zijn. Maar het nieuwe beleid van Kok-II werd erdoor overschaduwd.

Ook de – naar het zich liet aanzien – verslechterde economische vooruitzichten bleken het kabinet het afgelopen jaar niet echt te helpen in een vliegende start. Belangrijke beleidsterreinen werden bovendien overvallen door tegenvallers als de plotselinge stijging van het aantal asielzoekers en de rechtelijke uitspraken over de wet herstructurering varkenshouderij.

Paars zou strompelen, was en is misschien nog steeds het algemene gevoel. Daar passen natuurlijk wel enkele kanttekeningen bij. Het feit dat het kabinet zich niet voorzien heeft van een motto à la `werk, werk, werk' betekent nog niet dat er geen ambities zijn die daadwerkelijk worden gerealiseerd. De nieuwe uitvoering van de sociale zekerheid bijvoorbeeld, de herinrichting van de ruimte, waarbij milieuwaarden en de revitalisering van het platteland vooropstaan, de krachtige impuls voor de grote steden als katalysator voor leefbaarheid, werk en veiligheid, meer en betere kinderopvang.

Ook bij zorg, onderwijs en inkomensbeleid worden zichtbare stappen gezet, variërend van de entree van zelfstandigen in het ziekenfonds tot meer handen in de klas en aan het bed en een beter belastingstelsel met lagere tarieven.

Gelukkig lijken ook de sombere voorspellingen van het Centraal Planbureau van een fors teruglopende economische groei niet uit te komen. Niet onwaarschijnlijk is dat deze groei in 1999 en 2000 ruim boven de 2 procent uitkomt, terwijl de werkloosheid gestaag daalt. Daardoor kan ook extra ruimte ontstaan voor verdere investeringen in de kwaliteit van de samenleving.

Paars-II is dus op vele terreinen goed begonnen, maar zal krachtig moeten doorgaan. De begroting voor het jaar 2000 is het goede moment om te laten zien hoe de inspanningen die in het regeerakkoord van 1998 werden aangekondigd, ook daadwerkelijk worden gerealiseerd.

Om het vertrouwen van kiezers in dit kabinet – dat door de afgelopen weken toch een forse knauw heeft opgelopen – te herstellen is echter meer nodig dan alleen het regeerakkoord. Vertrouwen heeft te maken met de richting waarin wordt gereden, maar ook met het gevoel dat het stuur in goede handen is. Van de `wederopstanding' kan gebruik worden gemaakt om een nieuw elan te laten zien. De basis daarvoor is absoluut aanwezig, nu de politieke wil om door te gaan samenvalt met een wat opwekkender economisch scenario dan was voorzien.

Op de grens van de nieuwe eeuw zou het kabinet een extra impuls kunnen geven aan de vernieuwing van de samenleving. Er is behoefte aan een zinvolle en evenwichtige inrichting van ieders leven, waarin werk en zorg voor kinderen en verwanten niet elkaar in de weg staan, maar juist aanvullen. Naast goede zorgverlofregelingen die de arbeidsparticipatie van vooral vrouwen vergroten, is ook nadere flexibilisering van de werktijden en -omstandigheden nodig. Het zogenoemde `telewerken' zou, fiscaal en anderszins, fors kunnen worden gestimuleerd.

Ik denk ook aan het brede milieubeleid met de nadruk op ecologisch verantwoord produceren èn consumeren en aan een door D66 eerder gevraagd deltaplan om de reïntegratie van honderdduizenden arbeidsongeschikten te bevorderen.

Op twee punten wil ik in het bijzonder de nadruk leggen. Zij zijn essentieel voor de genoemde pijlers van vertrouwen en vernieuwing.

In de eerste plaats moet de kwaliteit van de rijksoverheid worden aangepakt. Als iets overduidelijk is gebleken in de afgelopen weken – (Bijlmerramp, Dioxine, Landbouw) maar ook uit incidenten van de afgelopen jaren (Justitie, openbaar ministerie, Securitel) – is het wel dat de informatievoorziening, de alertheid en de empathie voor wat er in de samenleving speelt in de Nederlandse bureaucratie ernstig onder druk staat. De kwaliteit van de overheid is daarmee in het geding. De politieke verantwoordelijkheid voor het overheidsoptreden kan pas goed worden gedragen als al het mogelijke wordt gedaan om de structurele dienstverlening van de overheid te verbeteren. Informatie die wordt achtergehouden of niet tijdig gemeld, stammenstrijd, ambtelijke koninkrijkjes, gebrekkige coördinatie tussen departementen of uitvoerende diensten, lekkages en vertragingstactieken, het zijn allemaal symptomen van een overheid die vooral in zichzelf gekeerd is. Terecht wordt de nadruk gelegd op de politieke verantwoordelijkheid voor al het bureaucratisch handelen en op de consequenties die daaraan verbonden kunnen worden. Maar tot veel meer dan symptoombestrijding heeft dit tot dusverre niet geleid. Dat is geen paarse kwaal, onder CDA-kabinetten functioneerde de rijksdienst immers niet anders. Een fundamenteel debat over de politiek-ambtelijke verhoudingen en over wat van overheidsdiensten mag worden verwacht, is dringend gewenst.

Een tweede opgave is de digitale revolutie. D66 heeft bij de start van het kabinet aandacht gevraagd voor een visie op de economische, sociale en culturele revolutie die zich in de wereld afspeelt door de nieuwe communicatie- en mediatechnologie. Enige interesse in de `digitale snelheid van het licht' zoals Maurice de Hondt deze ontwikkeling ooit typeerde, lijkt vooralsnog te ontbreken. Toch gaat het hier om een vernieuwing die vergelijkbaar is met de invoering van de elektriciteit: sociale relaties veranderen, nieuwe werkgelegenheid ontstaat, de cultuur evolueert dramatisch en de kennismaatschappij krijgt een volstrekt andere dimensie. Internet is hèt voertuig en tegelijkertijd het symbool van deze vernieuwing. Vooralsnog staat de overheid er bij en kijkt er naar. Een kabinet dat Nederland de 21ste eeuw in wil leiden zal echter meer moeten doen. Welke gevolgen heeft de digitale revolutie voor onze democratie en welke mogelijkheden kunnen wij benutten om onderwijs, consumenteninformatie, de combinatie van werk en privéleven en zelfs de gezondheidszorg op een hoger plan te tillen?

Het kabinet heeft een unieke kans om met verve en durf aan deze sociaal-culturele omwenteling vorm te geven, nog daargelaten de immense economische betekenis en de grote problematiek van privacy-bescherming en digitale misdaad die dringend moet worden aangepakt.

Paars-II heeft kortom een opdracht die verder reikt dan het regeerakkoord van 1998. De vernieuwing van Nederland met de overheid voorop. Met die inzet kan het kabinet in de komende drie jaar meer betekenen dan menig voorganger.

Thom de Graaf is lid van de Tweede Kamer en voorzitter van de D66-fractie.