OPPOSITIE VEERT OP ...

De tijd is rijp voor de doorbraak van CDA-voorman Jaap de Hoop Scheffer als de leider van Her Majesty's most loyal opposition. Dat vindt zijn collega Jan Marijnissen van de Socialistische Partij, die het altijd huiselijk weet te verwoorden: ,,Ik heb 'm laatst gezegd: jij moet echt het voortouw nemen, dat is jouw taak jongen, als leider van de grootste oppositiefractie.''

Het is nog maar een maand of vier geleden dat er een boek verscheen met een prikkelende ondertitel: `Waarom het CDA geen oppositie kan voeren.' Het was ook onbegonnen werk — opponeren tegen een nieuwe coalitie die naar wilde frisheid geurde en zoveel mooie cijfers mocht boeken (minder begrotingstekort, minder werkloosheid, etc.).

Het CDA lag intussen bloedend op de mat. De historische verkiezingsnederlaag van 1994 — min twintig zetels! — werd verwerkt met de diskwalificatie van de voorlieden Brinkman en Heerma. De verkiezingen van 1998, onder aanvoering van lijsttrekker De Hoop Scheffer, brachten weer vijf zetels verlies. Paars-I werd paars-II. Het CDA bleef oppositiepartij tegen wil en dank. ,,Oppositie voeren zit nu eenmaal niet in ons DNA'', verontschuldigde de nieuwe partijleider zich bij herhaling. Maar de omstandigheden hebben sindsdien flink meegeholpen. Paars-II werd anders dan paars-I. Heel anders.

BIJ EEN ZWAK KABINET ...

Wat hoort er in dit rijtje niet thuis? Srebrenica, Bijlmerramp, Schiphol, rekeningrijden, asielzoekers, Hans Wiegel, breken, lijmen, varkens, gifkippen.

Het was een strikvraag. Het is allemaal onderdeel van dezelfde potpourri van een `kabinet zonder motto' dat drie weken lang demissionair was en toch maar weer op zoek ging naar een missie. Fractieleiders van PvdA en D66 riepen twee weken geleden monter dat het kabinet ,,versterkt uit deze crisis is gekomen''. De publieke opinie oordeelt anders. Minder dan een kwart van de Nederlandse burgers zegt nog `veel vertrouwen' te hebben in Kok-II, tegenover ruim een derde in februari. Dit meldde het NIPO vorige week. Het zijn zo van die feitjes in een opiniecratie. Maar als zelfs de Staatscourant begint te somberen, is er écht iets aan de hand. Lees bijvoorbeeld haar staatkundig medewerker in een recente beschouwing over het begrip ministeriële verantwoordelijkheid: ,,Langzamerhand doet zich de vraag voor of het tweede kabinet-Kok (evenals het laatste kabinet-Lubbers) niet in zijn geheel kan worden getypeerd als `aangeschoten wild'.''

Kabinetten in Nederland vallen niet door toedoen van de oppositie. Ze vallen uit zichzelf. Maar hoe zwakker het kabinet zich toont, hoe meer ruimte de oppositie krijgt voor ondermijnende activiteiten: pijnlijke debatten, nog pijnlijker moties, opponerende fractieleiders die de media bedienen met snierende oneliners.

De afgelopen weken hebben een boeiende reeks voorbeelden te zien gegeven. Alle oppositiefracties in de Tweede Kamer — van SP tot en met SGP — kwamen in het Bijlmerdebat met twee gezamenlijk ingediende moties tegen de ministers van Volksgezondheid en van Verkeer & Waterstaat. Het is een daad van oppositionele eensgezindheid die in de Kamer zelden wordt vertoond. Vandaag kan een gesloten tegenfront als volgend succes bijschrijven dat oud-minister Sorgdrager haar sollicitatie als Nationale Ombudsman intrekt. De Eerste Kamer toonde zich bovendien tegendraads door premier Kok vorige week voor een interpellatiedebat naar de senaat te roepen. Ook dat komt zelden voor. De boodschap aan de coalitiepartijen was: wil voortaan hier, in de chambre de réflexion, niet zo komen straatvechten als u in de `nacht van Wiegel' hebt gedaan.

De coalitie mag dan `versterkt' uit de crisis tevoorschijn zijn gekomen, zou er bij de zes fracties van de oppositie (samen 53 zetels) ook cohesie en nieuwe strijdlust zijn gegroeid? Zeker, maar tot op zekere hoogte.

... EN ZAAGT IN DE COALITIE

Eigenlijk spreken ze niet graag over `de oppositie'. SGP-fractieleider Van der Vlies plaatst de coalitie liever tegenover de niet-coalitie. ,,Van oudsher beoordelen wij kabinetten van geval tot geval'', zegt Van der Vlies. Zijn RPF-collega Van Dijke vraagt aandacht voor ,,het onderscheid tussen strategisch samenwerken en inhoudelijk samenwerken''. Inhoudelijk zijn en blijven er volop verschillen tussen de oppositionele fracties. ,,Maar strategisch kunnen we goed samenwerken — dat hebben de afgelopen weken wel bewezen'', aldus Van Dijke. GPV-collega Schutte ziet in dit strategische verbond een eenvoudig mechanisme: ,,De regeringsfracties bepalen zelf de mate waarin ze tegenspel krijgen. Zij regeren, wij reageren.''

De oppositie stond de afgelopen weken ook niet als één blok tegenover de regering. Een scherpe motie van afkeuring die CDA, GroenLinks en SP in stelling brachten tegen staatssecretaris Faber ging de kleine christelijke fracties te ver. Steun van de hele Kamer was er uiteindelijk wel voor een veel zwakkere `motie van berisping' die was ingediend door de SGP. Van mislukte strategische samenwerking was ook sprake in het debat over het gelijmde kabinet en de brekende minister van Landbouw. SGP en SP wilden daarover twee afzonderlijke debatten voeren: omwille van staatsrechtelijke zuiverheid en verhoogde politiek-publicitaire impact. Maar het CDA vond één debat wel genoeg: het imago van `de politiek' had al voldoene schade opgelopen na alle ,,wilde-beestennummers'' (De Hoop Scheffer) rondom het Binnenhof.

Van de zes niet-paarse fractieleiders spreekt SP'er Marijnissen het meest enthousiast over toegenomen zelfvertrouwen en volop nieuwe kansen voor de oppositie: ,,D66 heeft in de coalitie niets meer te vertellen. In de PvdA-fractie zitten heel wat leden met een kater na de machtspolitieke spelletjes van Kok en Melkert. Dus dat belooft wat voor het volgende seizoen.'' Bij klein-christelijk wordt wel erkend dat ,,paars krakkemikkig door het leven gaat'' (Van der Vlies), maar er heerst ook ,,bezorgdheid over de regeerbaarheid van het land'' (Van Dijke).

Hoe groter de oppositiefractie, hoe genuanceerder de stellingname tegenover de regering. Dat is het andere mechanisme in het Nederlandse model van consensus & coalitie. Het CDA was een bestuurderspartij en wil het dolgraag weer worden. Fractieleider De Hoop Scheffer kondigt aan dat hij in de toekomst in oppositiekring vaker ,,coördinerend zal optreden'', maar zal — naar de aard van zijn partij en omwille van de Regierungsfähigkeit — niet graag met een kanon op het kabinet schieten. GroenLinks wil `kwaliteitsoppositie' voeren: zelf met alternatieven komen, constructief zijn, geaccepteerd raken. En dus zegt Paul Rosenmöller: ,,Uiteindelijk is ruimte zoeken en vinden bij coalitiefracties politiek interessanter dan een front vormen met de oppositie.''

Oppositievoeren is een kwestie van bosbeheer: hakken en zagen op de juiste plekken en hopen dat de dorre stam de goeie kant op valt.

Redactie: Gijsbert van Es