Lofzang op Daan van Golden

Daan van Golden is een ingetogen mens. De kunstenaar, die Nederland dit jaar op de Biennale van Venetië vertegenwoordigt, maakt eenvoudige foto's en sobere schilderijen, die hij heel geconcentreerd, lijntje voor lijntje op het doek zet. Wie Van Golden op de Biennale zag rondlopen, mager en verlegen, fotografen ontwijkend, kon zich dan ook moeilijk voorstellen dat hij er ooit een flamboyante levensstijl op na zou hebben gehouden – sterker nog, dat hij zelfs ooit nog fotomodel was geweest. Toch is dat zo, en wat voor een, zo blijkt uit het Rotterdamse tijdschrift Transito, dat ter gelegenheid van Van Goldens Biennale-deelname een special aan de kunstenaar wijdt. Op een van de reclamefoto's, gemaakt tijdens zijn verblijf in Japan in 1964, staat Van Golden met een donkere schone in zijn armen, haren nat en zwoele blik, een zwembroek aan te prijzen – al kan het ook zonnebrandolie of een vakantiereis zijn, dat is uit de Japanse tekst niet op te maken. Op een andere foto zit de kunstenaar in een strandstoel, met in zijn rechterhand een verrekijker en in zijn linker een flesje Coca Cola. `Summer = `64 Swimming' staat ernaast, maar Van Golden ziet eruit alsof hij liever op zijn stoel blijft.

Uit de negen bijdragen in Transito, onder anderen van Karel Schampers, de conservator van Museum Boijmans die Van Goldens bijdrage in Venetië begeleidde, Wim Beeren en Wim Crouwel blijkt dat alle auteurs een onbegrensd vertrouwen in Van Golden hebben. Een kritische noot is er niet te vinden in dit nummer, waardoor het Van Golden-katern vooral een vriendenboek wordt, geschreven om Van Goldens `zegetocht' naar Venetië te vieren. `Zal hij dan nu, op de wereldbühne van de moderne kunst, het vuur van de internationale faam ontsteken?' vraagt Wim Beeren zich af. Het nadeel van deze unanieme lof is dat de lezer die meer over Van Goldens werk wil weten of enige kritische reflectie op zijn werk verwacht, bedrogen uitkomt. En soms schrijven de vrienden ook wel erg familiair over Van Golden, zoals Frans Vogel, voormalig stadsverslaggever van Het Vrije Volk, die iets te veel de toffe jongen uithangt. Hij lardeert zijn stuk met kreten als `anyhow' en `weet je wel' en dat is jammer, want hij geeft een aardig overzicht van Van Goldens carrière.

Daar staat tegenover dat het ontroerend is om te zien hoe zelfs Van Goldens naasten geen vat op de kunstenaar kunnen krijgen. `Ongrijpbaar' is het woord dat in allerlei varianten in bijna alle stukken opduikt. Soms verwijst dat naar Van Goldens fysieke ongrijpbaarheid, zijn reislust die hem vooral in de jaren zestig de hele wereld over voerde, van Arkansas tot Scandinavië en van Turkije tot Japan, en waardoor zijn vrienden nooit wisten waar-ie uithing. Moeilijker wordt het als iemand probeert de kracht van Van Goldens werk te beschrijven. Dat die kracht bestaat werd in Venetië onmiskenbaar bewezen; Van Golden had het Nederlandse paviljoen getransformeerd tot een verstilde, witte ruimte waarin zijn doeken als moderne madonna's op hun toeschouwers lagen te wachten. Maar hoe de kracht te beschrijven van zulke schilderijen, die op het eerste gezicht op een stuk behang lijken of een stuk pakpapier of een zak- of theedoek? Men komt er niet uit. De meest geslaagde poging wordt ondernomen door Karel Schampers die vertelt hoe goed Van Golden is in `het ontdekken van het bijzondere in het gewone en alledaagse' en vervolgens concludeert dat Van Golden `als het ware naar een vorm van epifanie (zoekt): de openbaring van het goddelijke'. En dat is goed getroffen: Van Golden heeft God gevonden in een Hema-zakdoek.

Transito, 99-05 Uitg. Koppel, 102 blz. Prijs ƒ19,90.