Kwijtschelding

DE ARMSTE LANDEN in de wereld krijgen een aanzienlijke verlichting van hun schuldenlast. De leiders van de grote industrielanden hebben in Keulen afgesproken om een groter deel van de schulden van de armste landen kwijt te schelden. Dat is een genereus gebaar, ook al vond Jubilee 2000, de coalitie van kerkelijke en maatschappelijke groeperingen die campagne voert voor een totale schuldverlichting, het slechts een eerste stap. Niettemin lijkt het veelbelovend om zeventig miljard dollar van de totale schuldenlast van 130 miljard dollar van de armste landen onder voorwaarden kwijt te schelden. Volgens de G7 is het een historische stap naar een duurzame economische ontwikkeling. Werkelijk? Bij zoveel retoriek vallen twee praktische bezwaren en één principiële kanttekening te maken.

Ten eerste gaat het om officiële ontwikkelingsleningen aan arme landen die toch al niet worden afgelost. De Westerse donorlanden doen niets anders dan de bewindvoerder van een failliet bedrijf: ze schrijven hun oninbare vorderingen af. Ten tweede is het de vraag hoe de kwijtschelding gefinancierd zal worden. Daarover bestaat nog onenigheid, onder meer tussen donorlanden die al veel hulp schenken – zoals Nederland – en landen die goede sier proberen te maken met andermans geld om schuldverlichting aan hun Derde-Wereldcliënten te beloven – zoals de VS en Groot-Brittannië.

AAN DE KWIJTSCHELDING kleeft nog een ander, principiëler bezwaar. Na de Tweede Wereldoorlog formuleerde professor Jan Tinbergen het uitgangspunt voor internationale ontwikkelingshulp. Arme landen hadden een gebrek aan financiële middelen voor investeringen in economische groei. De tijdelijke kapitaalsoverdracht van rijk naar arm moest hierin voorzien. Tinbergen verwachtte dat de beschikbaarheid van kapitaal zou leiden tot een ontwikkeling waardoor de leningen op den duur konden worden terugbetaald.

Deze strategie is geslaagd voor wat betreft de `opkomende landen' (hoewel zich ook daar ernstige financiële disrupties hebben voorgedaan – zie de Azië-crisis van 1997-'98), maar niet in de armste landen, voornamelijk in Afrika ten zuiden van de Sahara. Met de aanvaarding van de kwijtschelding wordt in feite erkend dat de ontwikkelingshulp aan deze landen de internationale variant op de bijstand is. De hulpgelden zijn grotendeels verdwenen in rampzalige projecten of in spilzieke uitgaven van de lokale heersers. Ze hebben in ieder geval niet gebracht wat de bedoeling was: economische groei waaruit de leningen zouden kunnen worden afgelost.

WAT BETEKENT dit voor de toekomst van deze landen? Stel dat de Nederlandse regering morgen besluit om een streep te halen door alle hypotheekschulden van huizenbezitters. De huizenbezitters zijn kortstondig opgelucht, omdat de molensteen van rente en aflossingsverplichtingen van ze afvalt. Maar vervolgens ontdekken ze dat hun kredietwaardigheid is verdampt en dat ze bij geen enkele bank meer een nieuwe lening kunnen krijgen. Schuldkwijtschelding betekent langdurige uitsluiting van nieuwe kredietverlening.

Met de armste ontwikkelingslanden is het niet anders. Na de kwijtschelding zijn ze volledig aangewezen op de goedgevigheid van de donorgemeenschap. In de bijstand raakt het perspectief op duurzame economische groei nog verder uit zicht. De voorstanders van volledige schuldkwijting zouden zich hiervan rekenschap moeten geven.