Kessel

In het voormalige Stalingrad is alles voormalig gebleven. In de glazen hal van het vliegveld jagen tientallen mussen tsjilpend rond. De hete hoofdstraten zijn leeg en rustig, op een enkele zwarte auto na. Reclame is er vrijwel niet. Iedere avond flikkert langs de Wolga kameraad Lenin op, in gigantische neonlichten. Dit is het communistische hartland, de burcht van de oude orde binnen de oprukkende verwildering en decadentie. Hier regeren de partijkaders nog met stevige hand. De rode vlaggen wapperen, plantsoenen zijn perfect onderhouden, zwarthandelaars rijden hier nog per fiets.

Wat namen al niet kunnen doen. Stalingrad was letterlijk een prestigeslag. Toen de Duitsers hier in 1942 een beleg sloegen was het strategische belang van de stad slechts betrekkelijk. Toch eiste Stalin dat `zijn' stad tot de laatste man verdedigd zou worden; Hitler weigerde, om dezelfde reden, de belegering op te heffen toen zijn soldaten nog wegkonden. Uiteindelijk werden de belegeraars zelf ingesloten en afgemaakt. Honderdduizenden Duitsers en Russen sneuvelden, bevroren of crepeerden in deze `Kessel'. Van de oude stad is geen steen op de ander gebleven. Er is alleen nog een kapotgeschoten fabriekshal terug te vinden, en een fontein aan de Wolga met dansende kinderen. Nu lopen daar in de warme schemering de meisjes van Volgograd te flaneren, in de kortste rokjes van Europa. Bij een Pepsi-stalletje wordt voorzichtig gedanst. Maar in het park rondom het oorlogsmonument blijven de ingeblikte partizanenliederen klinken. Er is geen vogel te zien. In de bomen krassen honderden kraaien.