Heppener

Dat Robert Heppener een `kar van de dood' componeerde, zoals in zijn carnavalsliederen uit 1966, past bij hem. Heppener is weliswaar geen expressionist pur sang – daarvoor spelen te veel Engelse en Franse invloeden mee – maar beschouwelijkheid en melancholie, schaduwrijk en subtiel uitgewerkt, zijn nooit ver weg. Met die liederen opent een cd van het Nederlands Kamerkoor, opgenomen begin maart 1997 onder Tönu Kaljuste. Daniël Reuss dirigeerde aansluitend eind maart meer recente werken van Heppener: Del jubilo, gecomponeerd voor het 50-jarig jubileum van de NRCV in 1974, Nachtklänge, voor het Holland Festival van 1977 en Bruchstücke uit 1990 ter completering van een Mendelssohn-programma na Psalm 43.

`Een wonder van klank' heette het gedenkboek over de jaren 1937-1997 van het Nederlands Kamerkoor. Ddat zou ook een passende titel zijn geweest voor deze verzameling, want wat sluit Heppeners buigzame lyriek in al zijn mezzotinten goed aan bij juist de mogelijkheden van dit koor! Er schuilt nog wel iets van braafheid in het eerste stuk, een verklanking van de triomfstoet van Bacchus en Ariadne. De latere koren vind ik dan ook veel sterker. Een absoluut hoogtepunt daarin is Nachtklänge naar Paul Celans Stimmen uit de bundel Sprachgitter; ook na meerdere keren beluisteren blijft het ontroeren.

DAt lijkt de essentie van wat Heppener heeft te bieden: idee, tekst en muziek zijn niet zoals gewoonlijk aparte categorieën, maar vormen een onwrikbaar geheel. Bij deze visionaire klankspinsels past slechts eerbiedig zwijgen. Heppener beheerst het onvolledige, als artistiek stimulantium, aantippend reikt hij aan en verdwijnt zelf. Precies hetzelfde waarnaar Celan streefde.

Robert Heppener: Koorwerken. Donemus Composers Voice VC78