`Fotografie niet bij fusie gebaat'

Deze week beslist staatssecretaris Van der Ploeg over het op te richten Instituut voor de Beeldcultuur. Die beslissing lijkt gereduceerd tot een keuze tussen vestiging in Amsterdam of Rotterdam. Uit Groningen komt een ander voorstel.

Wat gaat het worden, Sweelinck of Las Palmas? De discussie over het Instituut voor de Beeldcultuur, een op te richten instelling waar film, fotografie en nieuwe media zullen samenkomen, lijkt gereduceerd tot een keuze tussen twee voorgestelde vestigingsplaatsen. Amsterdam bepleit het Sweelinck Conservatorium aan de Van Baerlestraat, Rotterdam het voormalige pakhuis Las Palmas op de Wilhelminapier. Moet het Filmmuseum naar Rotterdam of moet het Nederlands Foto Instituut naar Amsterdam? Ook al zeggen alle betrokkenen juist dat te willen vermijden, het plan is ontaard in een stedenstrijd. Waardoor er over zin en noodzaak van een fusie tussen de verschillende bestaande instellingen niet meer wordt gesproken.

Ten onrechte, meent Ton Broekhuis, directeur van de tweejaarlijkse fotomanifestatie Noorderlicht in Groningen. Fotografie is volgens hem niet gebaat bij fuseren met andere disciplines. Het medium beschikt in Nederland over een `flinterdunne infrastructuur' en zal worden opgeslokt door sterkere partners. Fotografie is gebaat bij een landelijke instelling die lokale initiatieven ondersteunt. Vandaar het Groningse alternatief voor de stedenstrijd: het satellietmodel. Vijf a zes zelfstandige centra voor fotografie, gespreid door het land, `aangestuurd' door een landelijk `steunpunt'.

Met vreugde nam Broekhuis begin mei kennis van het advies inzake het Instituut voor de Beeldcultuur van de Raad voor Cultuur aan de staatssecretaris. De voorkeur van de Raad voor Rotterdam kreeg weliswaar veel aandacht in de pers, in Groningen las men vooral het enthousiasme over het satellietmodel. In een pas verschenen aanvulling op het Amsterdamse voorstel wordt het model genoemd als enige overeenkomst tussen Raadsadvies en Amsterdam-plan. De decentrale oplossing wint aan steun, zo blijkt ook uit het recente advies van een Amsterdamse werkgroep, waarin een netwerk van instellingen in diverse steden wordt bepleit.

Broekhuis: ,,De Nederlandse infrastructuur voor fotografie is marginaal. Het Nederlands Foto Instituut heeft niet de middelen om een landelijke functie te vervullen, initiatieven buiten de Randstad zijn snel na de oprichting weer verdwenen. Bij film, architectuur en toneel is dat veel beter geregeld. Denk bij ons satellietmodel - je kunt ook spreken over een `associatie' - aan de geografische spreiding in het toneelbestel: de gezelschappen in Eindhoven, Groningen en Arnhem zijn volledig zelfstandig, maar voor overkoepelende functies kunnen ze terecht bij het Theater Instituut in Amsterdam. Daar wordt gearchiveerd, geëxposeerd en gedebatteerd.''

In het ideale geval ontwikkelt elk centrum een eigen specialisme. Broekhuis: De expertise moet worden verdeeld. In Enschede hebben ze veel verstand van nieuwe media en digitalisering, wij zijn sterk in documentaire fotografie. De landelijke organisatie vraagt dan bijvoorbeeld aan een van de regionale centra om voor het buitenland een tentoonstelling te maken op het terrein waar ze deskundig in zijn.' In de Amsterdamse variant van het satelllietmodel wordt volgens Broekhuis teveel gedacht vanuit het `knooppunt' van het `netwerk': ,,Dat lijkt toch meer op instellingen die af en toe iets komen doen in Amsterdam. In ons voorstel staat de landelijke instelling ten dienste van de regionale centra, niet andersom. Waar die landelijke instelling gevestigd wordt, maakt niet zoveel uit.'

Natuurlijk is het voorstel van Noorderlicht, ondersteund door gemeente en provincie Groningen, niet zonder eigenbelang. Zeker, erkent Broekhuis, maar dan wel verdiend eigenbelang. Noorderlicht, dat dit najaar voor de zesde keer plaatsvindt, heeft zichzelf inmiddels bewezen. Dergelijke lokale initiatieven, tegen de klippen op tot bloei gekomen, hebben weinig te verwachten van één alomvattend instituut in de Randstad. Van der Ploeg leek hierop te anticiperen in zijn verzoek om advies aan de Raad voor Cultuur, toen hij vroeg naar de verwachtingen ten aanzien van ,,het verwachte publieksbereik, mede gelet op de landelijke spreiding van voorzieningen op het gebied van de beeldcultuur en de centrale funktie van het samenwerkingsverband/instituut daarbij'. De wedstrijd Ajax-Feyenoord zou wel eens onbeslist kunnen blijven.