Een blozende jonge god

In een piepklein land, ergens tussen Engeland en Duitsland, woont een prins die later koning moet worden. Op de wereldkaart heeft het landje slechts de omvang van een speldenknop. Mensen die aan de overzijde van de wereld wonen, weten niet eens waar het ligt. Ze hebben wel gehoord dat de kroonprins van het koninkrijkje een grote blonde kerel moet zijn. En dat hij een jongeman is die veel van sport houdt en zelf tal van sporten bedrijft – meer nog dan de gemiddelde inwoner van het landje.

Toen er 's winters nog ijs lag op de wateren van het miniland, reed hij een keer mee met de Elfstedentocht, een schaatstoer van tweehonderd kilometer waaraan doorgaans alleen boeren en buitenlui meedoen. Niemand mocht van zijn avontuur weten. Daarom liet Willem-Alexander Claus George Ferdinand zich onder een andere naam inschrijven. Later rende hij zelfs mee met de marathon van New York, een tocht van ruim 42 kilometer. Toen mocht iedereen hem zien hollen, weliswaar omringd door veiligheidsmensen die dezelfde training hadden gevolgd als hij.

Het fanatisme waarmee de prins sport beoefent, baart veel onderdanen van het koninkrijkje zorgen. Sport is in de Rijndelta van oorsprong een tijdverdrijf waarbij weinig uitbundigheid hoort, zeker niet wanneer prinsen en prinsessen zich eraan overgeven. Interesse voor kunst, cultuur en wetenschap zou hun beter passen. Niet zo oppervlakkig als sport, minder schadelijk voor de constitutie van het lijf en minder afstompend voor de geest. Sport mag, maar moet wel een aardigheidje blijven. Zoals zijn opa Bernhard, zijn moeder Beatrix en zijn tante Irene bijvoorbeeld de ruitersport beoefenden – dat was nou leuk.

Maar de prins is een man van deze tijd. Hij laat zijn hartstocht niet smoren. Hij houdt ervan te hollen, te schaatsen en te skiën en daarna te genieten van een biertje en een sigaartje te midden van leuke en sportieve meisjes en jongens. Bij voorkeur topsporters, want het liefst was hij zelf een topsporter. Hij doet niet zo moeilijk, zijn omgeving doet moeilijk.

De prins voelde zich vereerd toen hij op grond van zijn liefde voor sport werd gevraagd lid te worden van het Internationaal Olympisch Comité. Helaas voor hem werd de invitatie met terughoudendheid ontvangen door de mensen die zich verantwoordelijk voelen voor de toekomstige koning. En toen ook nog bleek dat enkele IOC-leden de draak hadden gestoken met de ethische normen, werd Willem-Alexander meteen tot de orde geroepen. Het gevaar bestond dat de prins in zijn jeugdige overmoed in handen zou vallen van slechte mannen.

De commotie was groot in het landje. Volksvertegenwoordigers die niets van sport begrepen of zich nooit hadden verdiept in het Internationaal Olympisch Comité, vernamen uit de media dat het in het sportorgaan niet pluis was. Veel mannetjes met grote oren en nog grotere monden zeiden in het belang van het volk te handelen door de prins terug te roepen. De troonopvolger gehoorzaamde de hypocriete politici en schortte zijn lidmaatschap op – heimelijk hopend dat hij straks alsnog zijn gang mocht gaan.

Daar stond hij dan in Seoul, eindelijk, zwerend dat hij nooit de olympische eed zou schenden. Als de Nederlandse sportheld van deze eeuw, als een blonde jonge god die al zijn rivalen heeft verslagen. Trots, bescheiden en blozend, zonder rancune jegens degenen die als godvrezende ouders meenden zijn speelgoed te moeten keuren alvorens hij er mee mocht spelen. Als een prins die altijd heeft geweten wat hij wil. Als een man van stavast.