Column

Zuipen

Paniek, paniek, paniek. Mevrouw Borst schijnt vanaf september de sportclubkantines te willen droogleggen. Alleen nog maar risicoca cola. Voor die gereformeerde korfballers is dat geen punt, maar wat denkt u van de hockeyers?

In mijn radeloze jeugd was ik full-time kakker en tot en met mijn achttiende zelfs lid van de Gooische Hockey Club. Wat ik daar geleerd heb? Drinken. Hockeyers drinken meer dan dat ze hockeyen. Een wedstrijdje duurt twee keer vijfendertig minuten, maar daarna begint het ongebreidelde tanken. Dat hockeyen is op de meeste clubs dan ook gewoon bijzaak, een reden om bij elkaar te komen, een alibi om te zuipschuiten.

Alleen in de lagere elftallen? Nee hoor, tot diep in de hoofdklasse. De wedstrijd Amsterdam-KZ is nog geen minuut voorbij of het clubhuis (zeg nooit kantine!) in het Amsterdamse Bos is veranderd in een disco. De beide elftallen stapelen de kratjes richting plafond, de tap staat continu open en tot diep in de avond babbelen en borrelen de elftallen met het halve publiek een beetje na over de wedstrijd. Op dat moment gebeurt hetzelfde in honderd andere clubhuizen. Overal vloeit het bier (zeg nooit pils!). Het hoort erbij en het geeft de clubs een aardig zakcentje. De leden staan zelf achter de bar, dus er zijn geen personeelskosten. Zo pimpelen ze hun eigen kunstgras bij elkaar. De hockeyclub Laren heeft drie van die velden. Kan je nagaan!

Men tettert op zondagavond door tot tegen achten en daarna verlaat men luid toeterend het sportcomplex. De politie houdt nog wel eens diep in de nacht een blaastest en controleert dan alle half lamme discogangers, maar volgens mij is het effectiever om op zondagavond vanaf een uur of zeven bij de uitgang van de hockeyclub te gaan staan.

Voetballers kunnen er trouwens ook wat van, zij het dat je daar nooit met je tegenstander drinkt. Voetballers drinken met hun clubgenoten en dat kan ook lekker oplopen. In het amateurvoetbal worden veel trainers betaald van de baropbrengst. Statiegeld dus.

En nu wil mevrouw Borst de clubs opdrogen en het daarmee gepaard gaande vandalisme en geweld terugdringen. Ik hoor een grote denkfout en ben bang voor juist meer geweld. Het collectieve clubzuipen is voorbij en men is weer aangewezen op de eigen koelkast, maar dus ook weer op het eigen huwelijk. Het mag toch algemeen bekend zijn dat het huwelijk van bijna alle bestuursleden gered wordt door de club. Vaak zitten beide echtelieden helemaal gemetseld in zo'n vereniging. Hij zit als secretaris in een commissietje of zeven en zij coördineert de gevonden voorwerpen, het bejaardenbridgen en het krantje nieten. Ze zijn het hele weekend, vanaf vrijdagavond zeven uur (kleuterborrel) tot zondagavond laat (senioren dweilen), onder de pannen van het clubhuis en als zij die uren samen thuis zouden moeten doorbrengen, dan zou er een echte echtscheidingsexplosie plaatsvinden. Die mensen hebben elkaar al jaren niks zinnigs meer te melden, hebben daar door de week geen hinder van omdat ze werken en overleven het weekend dankzij de club. 's Winters hockey, 's zomers tennis. De kinderen krioelen er ook en moeten vanaf hun elfde al verplicht veterinnen fluiten. Dat heet bij hockey heel toepasselijk de overgangsklasse.

En deze vluchtstrook wil mevrouw Borst opheffen. Ik smeek haar namens de hele sportwereld om het niet te doen. Zowel uit economisch als uit sociaal oogpunt zou het een ramp betekenen. Hoewel? Ik denk dat de sporters er wel weer wat op zullen vinden. Wat? Heel simpel: clubhuis opheffen, verkopen aan een lid met horecapapieren en er een officiële kroeg van maken. En die kroeg ligt dan stomtoevallig naast je cluppie. Maar toch is dat anders.

`Hun huwelijk wordt gered door het café' klinkt toch bitterder dan `mijn ouders zijn altijd op de club'. Het is hetzelfde, maar het gaat om de woorden. Dus mevrouw Borst: alstublieft. Doe het voor die miljoenen poppenkasthuwelijken en voor heel puberaal Nederland. Die hebben namelijk weekenden lang thuis het rijk alleen. En niks is lekkerder dan dat. Ik kan het weten, want ik puber nog steeds.