WOESTIJNVORMING GEVOLG VAN UITSTOOT TRICHLOOR-AZIJNZUUR

De ernstige mate waarin de huidige woestijnvorming veel gebieden voor menselijke bewoning ongeschikt maakt, en die tegelijk aan de betrokken nationale economieën grote schade berokkent, is voor de Verenigde Naties reden geweest om 17 juni uit te roepen tot wereldwoestijndag. Ter gelegenheid daarvan zijn in juni de eerste resultaten bekendgemaakt van een onderzoek dat sinds 1997 door de Europese Unie wordt gesubsidieerd. Het betreft een project dat door Duitse, Oostenrijkse en Russische onderzoekers wordt uitgevoerd in het zuiden van de voormalige Sovjet-Unie, tussen de Zwarte en de Kaspische Zee. Daar worden momenteel grote gebieden door de woestijn veroverd. Het ergst er aan toe is Kalmukië (ruim tweemaal zo groot als Nederland), waar sinds de jaren vijftig het percentage woestijn van 9 tot 83 is gestegen.

Het onderzoek richt zich op de invloed die de door de metaalverwerkende en textielindustrie in grote hoeveelheden uitgestoten chloorkoolwaterstoffen (vooral tetrachlooretheen en trichloorethaan, gebruikt als reiningings- en ontvettingsmiddelen) op de woestijnvorming hebben. Deze zeer vluchtige stoffen worden in de meeste landen niet of nauwelijks weggevangen met filters of anderszins. In de atmosfeer kunnen ze onder bepaalde omstandigheden worden omgezet in het voor planten giftige trichloor-azijnzuur, een stof waarvan het natriumzout in de jaren vijftig nog veelvuldig als herbicide werd toegepast. De planten nemen deze stof direct via gasuitwisseling of via het grondwater op.

Of de huidige snelle woestijnvorming tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee inderdaad (mede) een gevolg is van het gevormde trichloor-azijnzuur, durven de onderzoekers nog niet met zekerheid te stellen, maar de voorlopige onderzoeksresultaten wijzen daar wel op. Tijdens twee expedities in het 700.000 km² grote onderzoeksgebied zijn dennenaalden verzameld die in het laboratorium zijn onderzocht. De in die naalden aanwezige concentraties trichloor-azijnzuur bleken veelvuldig hoger dan de concentraties die in zware industriegebieden in West-Europa voorkomen. Dat houdt volgens de onderzoekers in dat in ieder geval de vegetatie van steppen en halfwoestijnen aan deze toxische stof blootstaat, en daardoor waarschijnlijk geleidelijk overgaat in woestijn.

De ernst van de woestijnvorming op aarde blijkt ook uit andere resultaten van het milieuprogramma van de VN (UNEP): bijna een kwart van het landoppervlak wordt op enigerlei wijze bedreigd door erosie, uitdroging of verzilting. Jaarlijks gaat daardoor een landbouwproductie ter waarde van ruim 75 miljard gulden verloren. Daarnaast verdwijnt er jaarlijks zo'n 25 miljard ton aan teelaarde die voor voedselproductie geschikt is. Volgens de UNEP kan de snel verderschrijdende woestijnvorming alleen substantieel worden afgestopt bij een goed gecoördineerde bodembescherming. Zo'n project zou zeker 20 jaar lang moeten voortduren en jaarlijks een bedrag vergen van zo'n 20 miljard gulden.

(A.J. van Loon)