Wachten op Jutka

De Hongaarse schrijver György Konrád (66) verblijft nu enkele weken in Amsterdam met vrouw Jutka en kinderen Áron, Józsi en Zsuzsi. Hij heeft de Amsterdam Fellowship Award ontvangen als gastschrijver van Felix Meritis.

(11 juni)

Woensdagmiddag, tien over zes. Ik zit te wachten op mijn gezin in dezelfde hoekkamer in de résidence van Hotel de l'Europe, waar ik al eerder tien dagen heb doorgebracht. De druk van mijn verplichtingen aan de Academie in Berlijn ebt weg. Bijna alle voorbereidingen zijn getroffen, ik heb nagekeken waar de rondvaartboot vertrekt en waar ik een motorboot kan huren, en ik heb ingrediënten voor het ontbijt gekocht; geen melk en geen chocolademelk, schiet mij nu te binnen.

Ze komen met de taxi, Jutka en de drie kinderen. Ik zal hun gezichten in mijn handen nemen, hen brommend omhelzen, en dan gaan we eten. Maar voor het zover is zullen de kinderen en ik tussen de spijlen van het balkon door kijken naar al die fietsende Amsterdammers, met hun wapperende haren, hun kale kop of hun rode gezicht.

Hier gaan zakelijke ernst en particuliere speelsheid samen zonder elkaar te ontkennen. Volgens Jutka dansten de kinderen vanmorgen van vreugde. Ik probeer met hun ogen te kijken. Wat zou de esthetische Áron opvallen, en wat de praktisch-hedonistische Józsi, en wat zou Zsuzsi zien, die zijdelings alles opmerkt; vanuit haar ooghoeken registreert zij de wereld, die soms onverwachts koppig kan zijn en het bestaat om niet de hele dag op haar te letten. Jutka is al eerder in deze kamer geweest, zij heeft de omgeving al verkend, zij heeft niet veel nodig om zich thuis te voelen.

Ikzelf glimlach vriendelijk naar ieder die mij groet, al was het maar om niet te hoeven stilstaan, want ik vind niets zo heerlijk als dit verbaasd ronddwalen door de stad; geen lotushouding, maar een wandeling, zo heb ik de oosterse rustbeoefening een Europese vorm gegeven. Doe geen moeite om een stolp van ongerepte stilte om je heen te creëren, die zul je niet krijgen, ga liever zelf weg als het lawaai je te veel wordt. Gedraag je overal alsof je er slechts tijdelijk verblijft. Alleen al het feit dat je er bent is goed, alleen al het feit dat zijn bloed stroomt en zijn ademhaling functioneert is voldoende om een mens te vervullen met vreugde.

Ik zat achterin de patisserie van een kennis, achter de professioneel tactvolle eigenaar, en keek naar de klanten; ik zag hoe oudere, niet bepaald slanke dames bonbons uitzochten, deze keer doelbewust hun dieet trotserend. Deze vrouwen houden het hoofd hoog en dragen hun lichaam met trots en waardigheid. Ze kennen hun rechten en voldoen aan hun plichten, ze leven vanuit een traditie van driehonderd jaar burgerschap, wij daarentegen komen met onze tien jaar pas kijken. Ik ben gefascineerd door de mooie jonge moeders met een kleintje voor- en een kleintje achterop hun fiets, ze vertrouwen op het verkeer, ze vertrouwen op de anderen.

Vanuit het balkon van onze hoekkamer op de derde verdieping houd ik elke taxi scherp in de gaten, mijn nerveuze bezorgdheid heb ik opzij gezet met de gedachte dat vertraging tegenwoordig normaal is, de luchtcorridors zijn vol wegens de oorlogsomstandigheden. Wees blij dat ze niet op het dak van een wagon hoeven te reizen, zoals jij zoveelenvijftig jaar geleden, ook toen wegens oorlogsomstandigheden.

Volgens ons journaal hebben wij gewonnen, volgens hun journaal hebben zij gewonnen, iedereen die leeft heeft gewonnen. Voor de doden maakt het echter niets uit wie gewonnen of verloren heeft. Wij kunnen ons overgeven aan de geneugten van een wandeling, voortdurend scherp oplettend dat wij niet iemand kwijtraken. Deze misschien wat overdreven aandacht voor elkaar: dat is ons gezin.

Dans op de bagagedrager (12 juni)

Een betere observatieplaats dan het balkon van mijn hoekkamer zou ik niet kunnen vinden. Een blond meisje op een fiets remt af en vertelt mij dat ze graag mijn boeken leest. Ik zit op een bankje bij een café op de hoek van een straat, met een Jack Daniels met ijs en een bruin bier, ook zonder het gezelschap van grote geesten kan een gevoel van welbehagen opgeroepen worden. Hier zijn de eigenaardigheden van de mens te verdragen, hier kan ik dus ook mezelf verdragen. In deze stad ben je tevreden met jezelf en je schaamt je niet voor wat dan ook.

Soms houd ik stil op een straathoek voor een kop koffie of een borrel, waarderend knikkend naar een stevige, rondborstige vrouw die met twee kindertjes op haar fiets stug tegen de hooggekromde brughelling optrapt; het is een vroege zomermiddag - om met Wim Keijzer te spreken - vol schoonheid en troost.

Ik had erover gedacht om een boot te huren, maar wat zou ik moeten doen als ik er genoeg van kreeg? Ik zou hem niet zomaar achter kunnen laten en ik zou hem ook niet terug kunnen vinden, zo'n boot zou alleen maar lastig zijn. Ik hoef niet meer bij me te hebben dan in mijn zakken zit. Gewoon op stap gaan, zonder doel of opdracht, dat vind ik het allerprettigst, en dan kun je ook nog zuchten van tevredenheid als je op zo'n bank stuit. Je verwondert je over vogels die je niet kent, je hoeft niet te duwen en te trekken, je glimlacht tegen iemand, en die lacht terug; ook al kijk je alleen, hij antwoordt met een glimlach; en zo wordt jouw tactloos op zijn gezicht gerichte aandacht getrokken in de hogere sfeer van een geciviliseerd contact.

De mensen hier zijn erin geslaagd hout, water, steen en ijzer op een goede manier te verenigen. Ze fietsen liever dan dat ze auto rijden, daar hebben ze hun regels op afgestemd. Het individu en de gemeenschap rekenen op elkaars intelligentie. Meisjes, niet veel ouder dan een jaar of tien, staan op de bagagedrager van hun vaders fiets, steunend op zijn schouders, zich strekkend naar zijn hoofd, ze maken dwaze bewegingen, ze wuiven, ze zijn gelukkig. Dit is een vredige stad, zelfs de honden zijn rustig, met een zijden sjaal onder hun halsband. Die oude tegels zijn slimmer dan het moderne asfalt, je hebt geen drilboor nodig om ze te verwijderen. Het wordt koud, de wind rukt aan de takken en blaast door de witte haren van slanke oude heren, ik bewonder de verfijnde oude paren, ze zijn bescheiden, maar niet onzeker.

Een offer aan de sterrenhemel (14 juni)

Nu Jutka naast mij ligt te slapen, lijken de geluiden van het verkeer beneden minder gedempt, het rinkelen van de trams klinkt scherper, hun wielen ratelen doordringender. Plotseling hoor ik het getrappel van paardenhoeven, er komt een heuse bierwagen voorbij met echte bierpaarden, de benen versierd met witte manen. Vanaf ons balkon is duidelijk te zien hoe het verkeer gestuurd wordt door een weinig hiërarchische, zelfregulerende anarchie. De verkeersdeelnemers nemen elk vrij plekje op straat in beslag, maar houden daarbij wel rekening met elkaar, iedereen zoekt zijn weg, maar blijft voorkomend. Als dat evenwicht aanwezig is, is gedetailleerde regelgeving overbodig. De tolerantie jegens de individuele eigenaardigheden van het leven gaat hier tamelijk ver. Nergens voel ik de anticiperende norsheid, de bij voorbaat aanwezige woede, die ik in Boedapest meer dan eens heb ondervonden.

Jutka en ik waarderen de wijze waarop de serveersters ons deelgenoot maken van hun persoonlijke voorkeur. Om ons heen zitten allerlei mensen, van chauffeur tot professor, vrolijk te praten. Hier heb je niet het gevoel dat de zaak hopeloos is; als je hard werkt, komt het voor elkaar. Hier is geen nationale vloek, maar particulier initiatief. Aan de mensen die voorbijlopen is te zien dat ze weten wie ze zijn, en die wetenschap slaat hen niet terneer.

De jongens hebben de grachten bewonderd, de ophaalbruggen en de zacht puffend langsvarende boten, ze hebben Rembrandts raadselachtige lichtbronnen aan een onderzoek onderworpen, en ze hebben aan de hand van een schilderij vastgesteld dat een bepaald stukje straat er nog net zo uitziet als driehonderd jaar geleden; daar verbaasden ze zich over, want Boedapest is ruim honderd jaar jonger. Met genoegen hebben we gekeken naar de individuele variaties in fietshoudingen, naar het klassieke blaasorkest op de hoek van de straat en naar de jongleur die stokken met brandende uiteinden liet ronddraaien.

Hoewel we op elkaars lip zitten in onze twee kamers, is de sfeer uitstekend. Tijdens het rustuurtje na het eten zit iedereen in zijn dagboek te schrijven, te lezen, te tekenen of te kleuren. Zoals ieder mens hebben ook wij onze eigen gewoontes meegebracht: de beker chocolademelk bij het ontbijt, het bad na het avondeten, de knuffelpinguïn en de helden uit Jutka's onuitputtelijke vervolgverhalen.

's Avonds na tien uur wordt de kinderwereld stil, en dan mogen de ouders ook met elkaar praten. Tot die tijd is er steeds iemand die niets ontgaat, die zelfs opmerkt – ze heeft ogen van voren en van achteren – dat ik even de hand van mijn vrouw streel; als wij geen ruzie willen, doen wij er beter aan al ons enthousiasme te richten op de vierjarige Zsuzsi, wier goede humeur gemakkelijker te bederven dan terug te winnen is. Het vereist enig inzicht om haar op te vrolijken, je kunt beter haar aandacht vragen voor een onkruidplantje, een eend of een spinnenweb dan voor de serieuze raadselachtigheid van de Kloveniersburgwal, om maar een voorbeeld te noemen. Wanneer ik mijn enthousiasme uit over de bezienswaardigheden, word ik meteen door Zsuzsi gecorrigeerd: Boedapest is ook mooi!

In een modern museum zien we afbeeldingen die zelf weer kleinere afbeeldingen bevatten. Wat een idee, wat een rijkdom aan ideeën. In een kamer staat een poppenhuis waarin grappige monsters huizen. Voor mij horen de KLM, die de hele aardbol omspant, en het poppenhuis bij elkaar. Beide maken gebruik van de ruimte en de tijd, gegevenheden van deze aarde, maar niet op een gewelddadige manier die henzelf schade toebrengt, maar veeleer om er van te genieten. De mensen hier hebben hun huizen en bruggen van vorige generaties overgenomen, evenals hun normen en twijfels, en hun discrete hang naar vreemde zaken. Eerst was er orde en een morele basis, en daarna komt het spel. In deze stad durf ik Jutka rustig mee te nemen naar elke willekeurige bar om er een vers glas sinaasappelsap te drinken, zelf drink ik iets anders. De serveerster gooit telkens haar halflange, blonde haren naar achteren. De Egyptische restauranthouder prijst de stad en zijn Chinese echtgenote, de Hollands-joodse kroegbaas heeft een Hongaarse vrouw, wij kunnen het uitstekend met elkaar vinden. De zwerver gaat zijn neus achterna, dat offer brengt hij aan de sterrenhemel.

Vertaling Ineke Molenkamp-Wiltink