Virtuoos en hartstochtelijk

Ernst van Altena, die woensdag op 65-jarige leeftijd overleed, is voor alles de man die de Nederlandse letteren en liedkunst heeft verrijkt met werk dat zonder zijn vertalingen aanzienlijk minder tot de verbeelding had gesproken – van Brel, Brassens en Villon tot Apollinaire, Wedekind en Tucholsky. Zijn eigen dichtkunst stelde hij in dienst van de poëten die hij bewonderde; met de hartstocht van de ware liefhebber poetste hij zijn vondsten op tot ze weer fonkelend en als nieuw waren. Het klinkt nu zo vanzelfsprekend, dat beroemde zelfportret van François Villon: ,,Ik ben François, wiens naam zo bont is. / Parijs, dat mijn geboortegrond is, / hangt mij straks aan een touw dat rond is / zo leert mijn kop hoe zwaar mijn kont is.'' Maar het is een virtuoos vertoon van vakmanschap, dat weinigen hem na zouden doen.

Kort na de oorlog belandde Van Altena voor het eerst in Parijs, waar hij zijn karige brood verdiende als jazz-klarinettist en gretig de invloeden onderging van hen die daar de toon aangaven: Boris Vian, Sidney Bechet, Jean-Paul Sartre. Toen hij wegens ziekte naar huis moest, nam hij die wereld met zich mee naar Nederland. Hij werkte als tekstschrijver in de reclame, waar hij naar zijn zeggen puntig leerde formuleren in een keurslijf, en daarnaast begon hij chansons te vertalen. Tot de eerste behoorde Brassens' lieflijk-pastorale Brave Margot, op de radio gezongen door Jetty Paerl, dat pikant werd geacht omdat daarin een meisje haar borst ontblootte voor het oog van dorpsbewoners.

Door zijn vertalingen speelde Ernst van Altena een doorslaggevende rol bij de popularisering van het Franse chanson in Nederland. Het woord `luisterlied', dat allang in de Van Dale staat, is door hem verzonnen. Jacques Brel gaf zijn vertaler een ultiem compliment door enkele van diens vertalingen, als Marieke en Het vlakke land, zelf op de plaat te zetten. Van Altena presenteerde ook eigen radio- en tv-programma's over grote Franse en Duitse tekstdichters. Bij omroepen en platenmaatschappijen wekte hij echter ergernis door hardop te protesteren tegen de beunhazerij in die kringen en de schamele honoraria voor goede tekstschrijvers zoals hij. Als directeur van de auteursorganisatie SEBA beijverde hij zich onder meer voor de instelling van uitleenvergoedingen voor schrijvers van boeken in bibliotheken.

Al in 1965 werd Van Altena bekroond met de Martinus Nijhoff-vertaalprijs voor de verzamelde gedichten van de middeleeuwse Villon. Ook daarna leverde hij nog menige tour de force in dat genre, zoals vertalingen van de Canterbury Tales, minneliederen van Occitaanse troubadours en – vorig jaar – de complete Villon. Door keelkanker moest hij de laatste jaren praten via zijn slokdarm, maar hij ging door. Hij heeft een magnifiek oeuvre nagelaten, dat getuigt van poëtische levenslust en een aanstekelijke liefde voor de taal. Zijn taal.