Vette handel

Nederland is de draaischijf van de olie- en vethandel in Europa. Controle laat de overheid over aan de bedrijven zelf. De Belgische dioxinecrisis had net zo goed bij een ander – Nederlands – bedrijf kunnen losbarsten. Over vetsmelters, drablagen en beginnend bederf.

Testikels, pens en bedorven vet (groen) aangetroffen op transportband. Ook veel plastic, touw en ander afval. Kennelijk wordt de vetbak gebruikt als afvalbak.'' (22 april 1995)

,,In aanvoercontainer, opvoerschroef en sorteerband (ernstig) bedorven beenderen met veel maden. Ook veel bakken met botten aanwezig met volgende hiaten: runderkoppen met veel stukken huid en snuiten, beginnend bederf (groenverkleuring).'' (13 mei 1995)

,,Afgekeurd: drie bakken beenderen, groen en glad. Bij de stoplichten rook ik ze al.'' (19 mei 1995)

,,De vrachtwagen met botten is waarschijnlijk dit weekeinde blijven staan, want de botten waren bijna geheel bedorven. Tevens een bak `vet' afgekeurd (voor driekwart vol met blazen, kalfskransen en magen). De vloer was keurig net, maar van de `tafel' wil de consument vanavond niet eten.'' (10 mei 1995)

Bron: het logboek van controleurs van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) bij Koninklijke Smilde BV in Heerenveen, een van de grootste vetverwerkers in Nederland.

De vethandel in Nederland is anno 1999 nog het best te vergelijken met de handel in chemisch afval eind jaren zeventig. Weinig regels en veel kleine bedrijfjes. De bedrijven in de vetbranche vermengen en versjouwen dierlijke en plantaardige oliën en vetten en allerhande afval. Al sinds jaren is het in Nederland verboden chemisch afval te verdunnen, om daarmee onder de maximaal toegestane normen te komen. De vethandel kent zo'n verbod niet. Er wordt naar hartelust gemengd, aangelengd, vermalen en gekookt.

Het vorige maand in België losgebarsten dioxineschandaal is voor kenners van de vetbranche geen verrassing. De affaire mag begonnen zijn bij de Vlaamse vetsmelter Verkest, maar wie de vethandel kent, weet dat dat toeval is. Immers, de overheid in zowel Nederland als België valt de vetbranche niet lastig met strenge controles. En de diervoedersector, die de vetproducten afneemt, mag zichzelf controleren. De voedselketen wordt er zo niet betrouwbaarder op.

Analyses die het mengvoederbedrijf Hendrix UTD deze week liet uitvoeren, toonde een verhoogde concentratie dioxinen aan in het vet van het Nederlands mengvoederbedrijf Noba Vetveredeling. Hiermee is de dioxine-affaire geen louter Belgische kwestie meer. En dan was er ook nog de met dioxinen gevulde soepkip in een supermarkt in Duitsland. De kip is in Nederland geslacht, maar opgegroeid en gevoed in België. Zoals de vethandel tussen België en Nederland versmolten is, zo is ook de handel in kippen, veevoer en producten versmolten. De dioxine-affaire staat dan ook niet op zichzelf. De affaire is symptomatisch voor de falende overheidscontrole van een wildwestsector met zijn ongecontroleerde importen uit Oost-Europa en zijn verwevenheid met andere afvalsectoren.

Dood omgevallen

De naam van vetsmelter Verkest is voor altijd aan de affaire verbonden. In januari dit jaar zou Verkest dioxinehoudend vet hebben geleverd aan veevoederbedrijven. Het werd ontdekt toen in maart kippen in groten getale dood omvielen. Justitie in België denkt dat het gif is aangevoerd door een toeleverancier. Een van de verdachten is het Waalse bedrijf Fogra, maar de grote leveranciers bevinden zich in Nederland, zo ontdekte justitie bij controle van de boeken van Verkest.

Dat wekt geen verbazing. De vetsector is hier veel groter dan in België. Nederland is de draaischijf van de handel in oliën en vetten in Europa. De vetsmelterij bloeit bij gratie van de grootste haven ter wereld. Rotterdam zorgt voor een oneindige aanvoer van olie- en vetproducten. Samen met de vetsector vaart ook de veevoederindustrie wel bij `Rotterdam': mengvoeders zijn een mengsel van dierlijke vetten en derivaten van olieproducten. De sector kent het spreekwoord: `Als je weet wat een kip eet, eet je de kip niet meer'.

Deskundigen klagen al lang over wat er allemaal in het diervoeder wordt gestopt. De gepensioneerde professor W. Hartfiel van het Instituut voor diervoeding van de Universiteit van Bonn vertelde deze week aan het weekblad Der Spiegel hoe hij bij een bezoek aan een bedrijf in Ermelo zag dat oud vet met plastic verpakking en al omgesmolten werd. De manier van smelten van de meeste Nederlandse vetsmelters is inderdaad niet zonder risico's. Olievaten met gestold vet worden in een bassin met een lift naar beneden gebracht. Onderin kookt het water, bovenin drijft het vet. Tegelijk laten de vuil- en verfresten van de vaten los.

Een van de belangrijkste grondstoffen is gerecycled frituurvet, te koop voor veertig cent per kilo. De rivaliteit van de bedrijven om aan vet te komen is groot. Nederlandse bedrijven schuimen Europese landen af op zoek naar gebruikt frituurvet.

,,Het is een zieke sector'', weet Remi Poppe, Tweede-Kamerlid voor de Socialistische Partij. ,,Er lopen te veel Tedjes van Es in rond.'' Poppe kent de onderbuik van de voedingsindustrie. Jaren was hij de plaaggeest van milieucriminelen en louche handelaren. Ooit stond Poppe bij een huilende boer in Noord-Holland. Diens doodzieke koeien werden afgemaakt. De kadavers, vol stroperig bloed en okerkleurig vet, gingen naar de destructie. De aanwezige veterinair inspecteur vertrouwde Poppe toe: `Je moest eens weten. Zelfs van doodzieke dieren gaat niets verloren'.

Nauwelijks controle

Net als in België controleert de Nederlandse overheid de vetsmelterijen niet of nauwelijks. De Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV), de Keuringsdienst Diervoedersector (KDD), de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken – allemaal zijn ze een beetje verantwoordelijk. Allemaal controleren ze dan ook een beetje. Of niet.

De bedrijven die van de vetten mengvoeders maken, mogen zich van de rijksoverheid zelf controleren. Die taak hebben de bedrijven aan de KDD gegeven, de inspectiedienst van het productschap Diervoeder – een publiekrechtelijk orgaan, gevormd door het bedrijfsleven, dat overheidstaken uitvoert.

De Algemene Rekenkamer concludeerde drie jaar geleden dat de AID gebrekkig werkte, en twee jaar geleden dat het ministerie van Landbouw weinig waarborgen heeft voor een deugdelijk toezicht op de voedselketen. Deze week meldt de Rekenkamer dat het management van de AID onvoldoende weet wat de controleurs eigenlijk doen.

Kamerlid Poppe ziet liefst de komst van een landelijk handhavingsteam in de voedingssector. Zo'n team moet de Tedjes van Es in de gaten houden, zelf monsters nemen en boekhoudingen doorspitten. Poppe: ,,Nu is dat werk overgelaten aan, ja, aan wie eigenlijk?''

Goede wil

Ook in de dioxine-affaire vertrouwt de rijksoverheid op de goede wil van de bedrijven. De twee Nederlandse afnemers van het Vlaamse Verkest, mengvoederbedrijf Hendrix UTD en vetmenger en destructor Rendac, mochten aan de hand van door hen zelf aangeleverde monsters van partijen verdacht vet en voer bewijzen dat er niets aan de hand was. De overheid nam de resultaten over. Geen huiszoekingen, geen dwang. Zoals ook de twee Nederlandse bedrijven, Technivet en Bewa Recycling, die in januari mogelijk dioxinevet aan Verkest leverden geen huiszoekingen kregen. De AID nam enkele monsters van hun nieuwe voorraden. Daarin zaten geen dioxinen. Conclusie van het opgeluchte ministerie van Landbouw: de oorzaak van de Belgische dioxine-affaire ligt niet in Nederland.

Opnieuw ziet Kamerlid Poppe een parallel met de handel in chemisch afval in vroegere jaren. ,,Ik was begin jaren tachtig op het terrein van het malafide afvalconcern UNISER. In hun laboratorium stond één potje. Dat was altijd het monster dat gecontroleerd werd. Ze hoefden enkel het plakkertje te verwisselen. Met andere woorden: hoe weet de rijksoverheid nu zeker dat de monsters van de vetpartijen wel bij die verdachte partijen horen, als inspecteurs ze niet zelf genomen hebben? Voor de bedrijven staan miljoenen guldens op het spel, voor de sector miljarden. Van de kant van de overheid zou je op zijn minst enige terughoudendheid verwachten bij het concluderen dat er niets aan de hand is op basis van een eigen monster van een belanghebbend bedrijf.''

Het Productschap Diervoeder zegt begrepen te hebben dat de algehele controle rammelt – inclusief die van de eigen KDD – en wil ,,zo snel als mogelijk'' overleggen met Landbouw. Secretaris J. den Hartog van het productschap geeft toe dat zijn KDD maar sporadisch controleert bij vetsmelters. ,,Er moet een adequate controle komen.''

Marges en winsten

De overheid laat de sector de sector. Daar tellen marges, winsten en kostenreducties en minder de volksgezondheid. Verkest controleerde de grondstoffen die hij inkocht niet. Zo spaarde hij geld uit en had hij aantrekkelijke prijzen. Ondanks dat risico kochten gerenommeerde Nederlandse veevoederbedrijven zoals Hendrix UTD veel vet bij de goedkope Verkest, dat elf veevoederbedrijven als klant had.

,,Opeens is Verkest een onbetrouwbare oplichter'', reageert directeur P. van Huffelen van Hendrix UTD. ,,Toen wij zaken deden met dat bedrijf zag het er daar perfect uit. Hij had álle vergunningen. Achteraf blijkt dat het fout zat. Oké, dan nemen we de verantwoordelijkheid. Maar vergeet niet dat de hele Nederlandse markt Belgisch materiaal heeft gekregen dat niet gecontroleerd was.''

In de vetbranche zit veel `snel geld' en – het moet gezegd – ook enkele bedrijven die aan zelfcontrole doen en niet knoeien. De sector weet wie goed en wie slecht is. Een van de positieve uitzonderingen is vetrecyclingbedrijf Codeb S.A. in Moeskroen, op de grens van Vlaanderen en Wallonië. Directeur Karel Debaillie zegt dat zijn bedrijf veel geld uitgeeft aan analyses. Daarom is Codeb duurder dan Verkest en heeft Codeb maar twee veevoederfabrikanten als klant.

In de sector loont het af en toe zelf te controleren. Dankzij zijn controles ontdekte het bedrijf Codeb begin dit jaar dat Beneluxvet uit Dronten een vervuilde partij gerecycleerd frituurvet geleverd had. Het moest frituurvet zijn, maar Karel Debaillie's neus rook iets anders: ,,Mottenballen.'' Uit een monster bleek dat het vet gemengd was met paraffine en andere koolwaterstoffen. Codeb beschuldigde Beneluxvet van fraude. Het geleverde vet was niet geschikt voor veevoeder. Beneluxvet geeft geen commentaar.

Het verhaal van Codeb is daarmee niet ten einde. Het Belgische bedrijf had een onthutsende ervaring met de controlerende instanties in Nederland. Op 29 januari diende Codeb een klacht in bij de KDD, de inspectiedienst van het Productschap Diervoeder. In de brief vroeg het bedrijf of de KDD niet beter kan toezien op de sector zodat tankwagencleaners en vetputschrapers de residuen die in feite voor de verbrandingsinstallaties bestemd zijn, niet meer kunnen vermengen met oud frituurvet.

Van de KDD heeft Codeb niets meer gehoord. Grote haast had de dienst ook niet. Het van knoeien verdachte Beneluxvet werd pas op 26 maart, bijna twee maanden na de klacht, bezocht door een inspecteur. Met de directeur werd gesproken over de klacht. Het bleef bij een vriendelijk bezoek, vooraf keurig aangekondigd.

Dat zelfcontrole loont, weet ook Cehave in Oss. Dit grootste veevoerbedrijf van het land controleert onder meer op pcb's, ranzigheid, water, vuil, en vooral op het vetgehalte. Met enige regelmaat vist het bedrijf dubieuze vrachten er uit, zegt een woordvoerder en hij geeft twee voorbeelden. Vier jaar geleden voorkwam controle dat veevoer besmet werd met de verdelgingsmiddelen DDT en lindaan. En vorig jaar werd een lading vet tegengehouden die vervuild was met zinksulfaat, cadmium en het bestrijdingsmiddel endosulfaan.

Begin dit jaar moest Noba Vetveredeling uit Lijnden bij Cehave uitleg geven over vetleveringen waarvan de samenstelling niet klopte. Noba-directeur P. Bakker noemt het liever een meningsverschil over analysemethoden. Bakker: ,,Gelooft u me, de sector is voor honderd procent betrouwbaar, hon-derd-pro-cent.''

IJzeren Gordijn

Sinds de opheffing van het IJzeren Gordijn stroomt het afvalvet ook uit het oosten. Nederlandse bedrijven importeren graag uit landen als Polen, Tsjechië en Slowakije. Dat blijkt uit getuigenissen uit de vetsector die de Socialistische Partij in 1997 verzamelde en aan het ministerie van Landbouw overhandigde. Zo haalde het bedrijf Van Wijk & Olthuis uit Dronten in 1994 en 1995 partijen vet uit Slowakije en Polen via Oost-Duitse handelaren. De vrachten werden vervoerd door een transporteur uit Nuenen. Op de heenreis vervoerde hij een waaier aan chemicaliën, op de terugweg afvalvet. De tankwagens werden niet of nauwelijks schoongemaakt, bekende de transporteur. Van Wijk & Olthuis ontkent het verhaal.

Het vet ging niet alleen naar Van Wijk & Olthuis. In de getuigenverklaringen worden meer bedrijven genoemd. De transporteur verklaarde onder meer hoe hij bij de firma Milo in de Tsjechische plaats Olomouc vetafval van een zeepfabriek ophaalde. Onderweg werd de samenstelling in de vrachtpapieren veranderd en ging het spul als kippenvoer naar Duitsland. De kwesties zijn justitieel nooit uitgezocht.

Tussen de verklaringen over de praktijken in de vethandel die de Socialistische Partij aan het ministerie van Landbouw gaf, zitten ook meldingen over het stiekem mengen van vet voor dierlijke voeding met vet voor menselijke consumptie en het gebruik van agressieve reinigingsmiddelen waarvan resten in het vet kwamen.

Hergebruikers, `veredelaars' en bewerkers van vetten hebben nauwe banden met andere afvalbranches. Bekend is dat in Nederland steeds meer recyclingsbedrijven afval van tankers en cleaningbedrijven met frituurvet mengen. Grote zeeschepen in Rotterdam hebben allerlei oliën en vetten aan boord die via leidingen aan wal komen. Het spoelwater van de leidingen met de residuen wordt verzameld door Nederlandse bedrijven die het weer aanlengen en aanbieden aan de veevoederindustrie.

,,Ook de drablaag van opslagtanks zijn gewilde grondstoffen voor veevoeders'', meldt directeur G. Ebelie van vethandel Demeter in Alblasserdam. ,,Op de bodem van de tanks vormt zich een dikke laag. Daarin zit olie en vet, maar ook bezinksel en vuilresten. Een paar keer per jaar worden die tanks leeggemaakt.'' Dat gebeurt door tankcleaningbedrijven die opslagtanks en tankwagens schoonmaken en vaak tegelijk dierlijke vetten en ander afval ophalen, mengen en weer verkopen.

Afvalstromen

Het wordt echt gevaarlijk als verschillende afvalstromen bij elkaar komen, bijvoorbeeld vet voor dierlijke consumptie en vet voor menselijke consumptie. Dat laatste moet aan hogere kwaliteitseisen van de overheid voldoen. Bedrijven die verscheidene stromen op één bedrijfsterrein verwerken zijn risicobronnen. Zo'n bedrijf was Koninklijke Smilde, de grootste vetsmelter van Nederland.

RTL5 liet in 1997 wantoestanden zien in een vetsmelterij in Heerenveen van het tot dan toe als keurig bekend staande Smilde. Afgekeurde dierlijke resten en uitwerpselen kwamen volgens het programma in margarine en frituurvet terecht. Hoofdschuddende controleurs van de RVV moesten bijna wekelijks ranzige en ernstig bedorven dierlijk afval in beslag nemen.

Sinds 1991 was bekend dat het bedrijf vaker slechte grondstoffen omsmolt in het vet. De logboeken die de inspecteurs van de RVV bijhielden, zijn een bloemlezing van misstanden. Wegens het risico dat vetten voor veevoeders vermengd konden worden met vetten voor menselijke consumptie, drong de overheid bij Smilde aan op verandering.

Smilde stopte in 1995 met de productie voor menselijke consumptie. Toch constateerde de RVV dat het in 1997 weer mis ging: zogenoemd `laag risico materiaal', bestemd voor diervoeders, was verwerkt tot producten voor menselijke consumptie. De RVV deed aangifte bij de AID.

Het ministerie van Landbouw wist van de misstanden, toch werd vetsmelter Smilde vorig jaar bij de bestrijding van de varkenspestepidemie ingeschakeld om per week honderden tonnen varkens te verwerken.

Van het meel en het vet uit de karkassen werd varkensvoer gemaakt.