Tweedeling

Vroeger ging ongeveer de helft van de leerlingen naar het lbo, het lager beroepsonderwijs, de andere helft naar mulo of lyceum. De bekendste vormen van lbo waren de ambachtschool voor de jongens en de huishoudschool voor de meisjes.

De Mammoetwet was bedoeld om deze vroegtijdige maatschappelijke tweedeling tegen te gaan. Het idee van onderwijsminister Cals was indertijd dat alle kinderen naar een brugklas zouden gaan en dat daar zou worden bezien voor welke vorm van voortgezet onderwijs zij het meest geschikt waren. Hiertegen werd vanuit vooral rechtse hoek als bezwaar aangevoerd dat leerlingen met zulke uiteenlopende interesses en kwaliteiten bij elkaar in één klas, niet goed mogelijk zou zijn. Als compromis kwam uit de bus een systeem van twee brugklassen: één voor het lager beroepsonderwijs en één voor de rest. Daarmee bleef de tweedeling dus gehandhaafd.

In de jaren zeventig werd het effect van de pil zichtbaar in het onderwijs. De leerlingenaantallen namen af: eerst op de basisscholen en vanaf eind jaren zeventig ook in het voortgezet onderwijs. Omdat scholen willen overleven, werden ze steeds toleranter in hun toelatingsbeleid. Lycea die in het verleden hoge eisen stelden wat betreft de Cito-scores, zetten hun deuren wagenwijd open, met als gevolg veel drop-out onder leerlingen, een probleem dat overigens aanzienlijk werd versterkt door factoren die samenhingen met de toen heersende tijdgeest. Tegenover dit nadeel stond een niet gering voordeel: scholen gingen zich meer inspannen om leerlingen die ze vroeger nooit hadden toegelaten, aan een diploma te helpen. Het gevolg was dat steeds meer leerlingen een Mavo-, Havo- of VWO-diploma haalden en dat het lager beroepsonderwijs een steeds kleiner deel van de koek kreeg. Er was dus steeds minder sprake van een tweedeling: het gros van de leerlingen ging immers naar de Mavo/Havo/VWO-brugklas. Hoewel sommige beroepsopleidingen zich aan die trend onttrokken, werd het LBO een vergaarbak voor probleemleerlingen.

Om dat LBO uit het slop te halen, is besloten het Mavo en het LBO samen te voegen tot het nieuwe VMBO, voluit: het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Ik denk dat we daar erg verkeerd aan doen. Het is ontegenzeggelijk waar dat we in het lager beroepsonderwijs een concentratie vinden van allerlei problemen. Die kun je verdunnen door die leerlingen samen te voegen met andere die die problemen niet of in veel mindere mate kennen. Dat is een gevaarlijke weg: daardoor kunnen de problemen zich ook uitbreiden. Slechte wijn wint niet aan kwaliteit door hem te mengen met een betere soort. Het resultaat kan het tegendeel zijn. Verstandiger lijkt het dan ook om specifieke oplossingen te zoeken afhankelijk van de aard van de problemen waar het in al die gevallen om gaat. Zoals voor iedere vergaarbak geldt namelijk ook hier dat die zeer divers van samenstelling is: leermoeilijkheden, taalachterstanden en leerlingen met psychische en sociale handicaps.

Ik vind het zorgwekkend dat we telkens opnieuw de leerlingen verdelen in twee categorieën van ongeveer gelijke omvang, waarbij de ene helft rechtstreeks toegang heeft tot de hogere en academische beroepen, en de andere helft die weg min of meer wordt ontzegd. Temeer daar de vorige onderwijsminister, Ritzen, barrières heeft opgeworpen waardoor de doorstroming van middelbaar naar hoger beroepsonderwijs en vandaar naar de universiteiten vrijwel onmogelijk is geworden. Daardoor is ontsnappen aan de hoofdstroom waar je ooit je schoolloopbaan bent begonnen, praktisch onmogelijk geworden.