Toen en nu, hier en daar

Langs de weg van Moskou naar het vliegveld Sjeremetovo-2 staat het belangrijkste oorlogsmonument van Europa. Dat schrijft Geert Mak in zijn stukje op de voorpagina van deze krant, donderdag 17 juni. (Ik maak van de gelegenheid gebruik om te zeggen dat ik Deze eeuw een bewonderenswaardige serie vindt. Geen aflevering sla ik over, soms vind ik het een voltreffer. Dat komt dan door de direct gedeelde historische ervaring). Dit oorlogsmonument is het enige waardoor ik ontroerd ben geraakt. Omdat Mak niet zegt wat het is, geef ik de beschrijving. Het bestaat uit een paar zeer grote betonnen Spaanse ruiters. Meer niet. (Spaanse ruiters zijn wegversperringen). Ik had geluk, ik zag het op een grauwe ochtend, eind november, bij het begin van een sneeuwbui. Ik vroeg de taxichauffeur wat het is. Dit, zei hij, markeert de plaats tot waar de Duitse legers zijn gekomen. Zo! dacht ik. En wat me de laatste tijd vaker overkomt: de regels uit het gedicht van Willem Elsschot over Van der Lubbe schoten me te binnen: `Moog je geest in Leipzig spoken/ tot die gruwel wordt gewroken/ tot je beulen, groot en klein,/ door den Rus vernietigd zijn. (Marinus van der Lubbe is in Leipzig ter dood veroordeeld en in 1934 onthoofd). Het belangrijkste oorlogsmonument is ook een vervulling van dit gedicht.

Op het televisiejournaal kwam de oorlog dichtbij. Aanzwellend geronk van vliegtuigmotoren, nachtelijke bombardementen, verstijfd van angst in je bed liggen, ontploffingen van de granaten van het afweergeschut, het tikken van de scherven op de dakpannen, melkblauwe vingers van de zoeklichten, de kinderen van 1940-1945 weten er nog alles van (hebben ze nu gemerkt). Maar die fase van de oorlog is voorbij. Nu beleven we de gevolgen van de overwinning. De colonnes van de onderdrukkers zijn op de vlucht. Verdomd, zal ik maar zeggen, ik zag ze weer, die enkele auto's met WH (Wehrmacht Heer) op het nummerbord, rijdend op de laatste benzine, de meeste soldaten met paard en wagen, op gestolen fietsen, of gewoon sjok-lopend naar het oosten. Het was, zoals J. Goudriaan het heeft beschreven, een goddelijk gezicht.

Het is midden Mei 1945. In Rotterdam, aan de 's Gravenweg tegenover de Charlotte de Bourbonlaan, heeft het Verzet een NSB'er gevangen. Mijn vriendjes en ik zijn er al een week iedere ochtend vroeg op uitgetrokken om het avontuur van de Bevrijding te beleven. We staan vooraan in de kring om de arrestatie. De NSB'er zit geknield op straat, handen in de nek. Een vrouw doet een pas naar voren en spuugt hem in het gezicht. Hij probeert zich te beschermen, krijgt een ongenadige klap van een verzetsman. Er komt een vrachtautootje aan, de arrestant wordt de laadbak ingeslagen. Nooit zal ik de doodsangst op zijn gezicht vergeten. Het is de angst van de Serviër die op straat – links en rechts verwoeste huizen – door een groep Albanezen wordt omringd. Het loopt goed af: hij wordt ontzet door een paar soldaten van KFOR. Dan wisselt het beeld: Servische families in auto's, op boerenkarren met tractors op weg, richting Belgrado.

De volgende dag, Amsterdam. Alweer zo'n prachtige vroege zomerochtend. In de tram zitten op de eenpersoonsbankjes achter elkaar drie meisjes van een jaar of dertien gum te kauwen, of hun leven ervan afhangt. Een jongen aan de andere kant, zelfde leeftijd, heeft zijn walkman vol aan. Het komt goed door. Een paar jaar geleden dacht je dan nog aan een aanlopend fietswiel; nu lijkt het meer op – veronderstel ik – een fabriek anno 1880, of nog eerder, de hel van de Industriële Revolutie. Nog een plaats verder zit een mevrouw te ontbijten, maar ze heeft nu even de handen vol met iets anders. Het tarweboterhammetje steekt half uit haar mond. Het is te mooi weer om in de tram te blijven zitten. Bij het uitstappen knikken we elkaar vriendelijk toe.

Uw verslaggever bereikt het Koningsplein, loopt langs Het Singel. Het grachtenwater ruikt zomers-groen. Verder, naar het Spui. Nog geen bekende Nederlanders. Hij vraagt zich af hoe hij de toestand in Kosovo met die in Amsterdam zal kunnen verbinden – niet zozeer uit moralistische overwegingen maar, alweer, om het raadsel van de gelijktijdigheid. In de Kalverstraat hebben alle winkels hun pantser voor hun etalages alsof ieder ogenblik de Serviërs kunnen binnentrekken om aan het plunderen te slaan en de boel in brand te steken. Vrees niets. Het is alleen een maatregel uit voorzorg tegen onze eigen grondtroepen. Nu en toen, daar en hier: met geen mogelijkheid valt het een aan het ander te verbinden.