Stalinistische jeugdherinneringen

Wanneer politici jeugdherinneringen ophalen, staan ze graag stil bij de voortekenen van hun latere bekwaamheid. In de uitvoerige autobiografie van de sociaal-democratische voorman Pieter Jelle Troelstra vormen diens kinderlijke observaties van ongelijkheid en onrechtvaardigheid in de samenleving de voorbode van zijn roeping voor de socialistische politiek.

Maar Troelstra vormt een uitzondering. Nederland kent niet zo'n cultuur van politieke memoires. Het is daarom opmerkelijk dat al in 1939 de autobiografie van de communist Louis de Visser verscheen waarin de mythe van een proletarische jeugd wordt beschreven. Lenin was hierbij het voorbeeld geweest. Communistische voormannen hadden een harde jeugd gehad en waren op jeugdige leeftijd tot het juiste inzicht gekomen.

Louis de Visser (1878-1945) had zijn vader nooit gekend en werd mishandeld door een stiefvader met `tropenkolder'. Die ouders waren natuurlijk slachtoffer van het kapitalisme. Het was niet hun schuld dat ze niet op kinderen konden passen. ,,Het is overigens'', schrijft De Visser, ,,bijna een wonder, dat je levend door al die gevaren heen komt, die je als proletariërskind, dat nagenoeg zonder toezicht is, bedreigen. Een groot litteken aan mijn been herinnert me nog aan een ontzettende brandwonde, die ik eens opliep in een van die `onbewaakte ogenblikken', die halve dagen lang van duur waren!''

De Rotterdamse straten werden zijn leerschool. ,,In de Gouvernestraat bracht ik dus mijn eerste levensjaren door; op de stoepen, in de hofjes en in de goten vond ik mijn speelterrein. Ik herinner me niet in die tijd ooit een stuk speelgoed te hebben bezeten.''

Een aangeboren assertiviteit ontwikkelde zich vanzelf tot natuurlijk leiderschap, zoals een jongen die aan zijn strohoed trok ondervond. ,,Ik vloog mijn kwelgeest aan en sloeg er in mijn woede zó op los, dat de knaap schreeuwend de vlucht nam. Dit voorval sterkte mijn zelfvertrouwen om zó'n mate, dat ik vanaf die tijd me steevast mengde in alle twisten en ruzies van de kinderen en gaandeweg een haantje de voorste werd.''

Er zit een eigenaardige dubbelzinnigheid in de trots waarmee De Visser steeds vermeldt dat hij zijn mannetje stond in de harde confrontaties van de Rotterdamse jeugd, terwijl die verhalen tegelijkertijd een aanklacht moesten zijn tegen het verfoeilijke systeem. Bij de gevechten van straat tegen straat ging het hard toe, ,,waarbij we gewapend waren met rottanstokken, op een lengte van een meter afgesneden en voorzien van met spijkers erop bevestigde moeren, die we langs de spoorbaan zochten. Ik moet me nóg verbazen, dat er geen doden gevallen zijn met die geduchte wapenen in deze gevechten, die overigens ook in andere gedeelten van Rotterdam werden gevoerd.''

De school was de plaats waar je je niet meer in de maatschappelijke orde liet vangen, als je ,,te lang reeds in bandeloze verhoudingen had geleefd, als een straatkind, dat niet op de vingers werd gekeken. Ik weet wel dat al die disciplinaire maatregelen me helemaal niet bevielen.''

Een onderwijzer liet hem voor straf een stapel leien boven het hoofd houden, een indertijd bij onderwijzend personeel geliefde combinatie van vernedering en kwelling. Maar de onverschrokken communist in de dop wist wat hem te doen stond: ,,Ik liet na een halve minuut de twaalf leiën rustig vallen, waarbij er geen één heel bleef. Omdat de moedwil er duimendik bovenop lag, werd de onderwijzer razend van woede.'' De uitslag van het handgemeen dat volgde blijft onduidelijk. Meerdere jongens gingen de onderwijzer met stokken te lijf; Louis de Visser spijbelde daarna veel.

De kennismaking met het socialisme op tienjarige leeftijd was meteen raak: ,,Ik weet nog goed, dat ik drie centen opspaarde om het blad te kunnen kopen waarin dit nieuwe Evangelie werd verkondigd.''

Zoals dat bij een bekering tot het socialisme hoort, werden hem de ogen geopend voor het onrecht om hem heen. Recht voor Allen, het weekblad van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, maakte diepe indruk op de kleine Louis, ,,omdat ik er een artikel in vond, waarin de ellende van de kinderen op de scholen werd beschreven''.

De religieuze termen waarin de kennismaking beschreven wordt, lopen vooruit op de strijd die om zo'n overtuiging gevoerd moet worden. ,,Het meest echter is dit eerste nummer van `Recht voor Allen', dat ik van mijn eigen opgespaarde centen had gekocht, in mijn herinnering gebleven, omdat het de aanleiding is geweest tot het eerste ernstige conflict tussen mijn moeder en mij. Mijn moeder meende, dat mij van het socialisme grote gevaren dreigden, omdat het, naar zij dacht, tegen de godsdienst inging.''

Hoewel hij verklaart dat deze ,,tegenstelling tussen moeder en mij op dit punt is blijven bestaan'', volgt een weergave van de theologisch-politieke debatten met zijn moeder. Het is het bekende, totaal onwaarschijnlijke heldenverhaal van de religieuze of politieke leiders die als kind reeds de volwassenen beleren. De Visser debatteerde als veertienjarige volop met huisgenoten over de politiek. ,,De kostgangers stonden versteld van de socialistische kennis, die ik me al verworven had en ik herinner me, dat Thomas, een metselaar, tegen mijn moeder zei, dat ze zich over mij geen zorgen hoefde te maken: `Die jongen heeft een fluwelen tongetje, die slaat er zich wel doorheen'.''

De herinnering hieraan was natuurlijk een genoegen. Maar een fluwelen tongetje was nu niet een bezit om het in de communistische beweging ver te schoppen. De Visser verwierf een heel wat krachtiger geluid toen hij in de jaren dertig partijleider van de Communistische Partij Holland werd. In de Tweede Wereldoorlog betaalde hij met zijn leven voor zijn overtuiging. Toch laat het verslag van zijn jeugd een onaangenaam gevoel van naderende persoonsverheerlijking achter.

Louis de Visser, Herinneringen uit mijn leven. (Amsterdam, Pegasus 1939)