Serviërs eruit

Momcilo Jovanovic laadt plastic zakken met kleren, lakens en handdoeken in zijn auto, een blauwe yugo. Een hanglamp en een klok staan zorgvuldig ingepakt op de achterbank. Zijn huis is bijna leeg, ook de kussens uit het bankstel heeft hij meegenomen. Alleen de grote spullen laat hij achter: de koelkast, tafels, stoelen, de boekenkast met de verzamelde werken van Dostojevksi en Zola. Die passen niet in zijn auto.

Gisteren bracht hij zijn vrouw en twee kinderen naar het huis van zijn schoonzus in Prokuplje, een stad in het zuiden van Servië. Vandaag kwam hij terug voor de laatste zakken en dozen. In zijn handen houdt Jovanovic een ingelijste tekening van zijn zoon Nemanja (9). Een huis, drie bomen en een hond. Nemanja had er speciaal om gevraagd, die tekening moest mee.

Momcilo Jovanovic (42), Serviër, is veearts en inspecteur van de veterinaire dienst in Priština. Hij werd in Kosovo geboren, studeerde in Belgrado. Tot vandaag woonde hij in het huis waar ook zijn vader, grootvader en overgrootvader woonden, in het centrum van de stad. Jovanovic was opgelucht, vorige week, omdat er een akkoord was tussen de NAVO en Belgrado. Er kwam een eind aan de bombardementen, aan de angst. Zijn kinderen zouden weer rustig slapen 's nachts.

Begin deze week zag hij zijn vrienden in volgepakte auto's vertrekken, naar familie in Servië, Montenegro of Macedonië. Ze voelden zich niet meer veilig in Kosovo. De politie en het leger trokken zich terug, het Albanese Kosovo bevrijdingsleger UÇK vestigde zich in de stad. En wat hadden de Serviërs te verwachten van KFOR, de internationale troepenmacht voor Kosovo? De KFOR-militairen staan onder bevel van een organisatie die de Serviërs maandenlang had gebombardeerd.

De zus van zijn vrouw Slavica, longarts in het ziekenhuis van Pristina, belde iedere dag: kom naar Prokuplje, het is te gevaarlijk in Kosovo.

In 1991, een jaar van hevige onrust in Kosovo, kreeg Jovanovic het aanbod om naar Zwitserland te gaan. Hij kon er werken als veearts. Hij wilde niet. Geld, vond hij, was minder belangrijk dan zijn vrienden in Pristina. ,,Ik ken iedereen hier, en iedereen kent mij. Ik ben een society-mens. Wat moet ik in een land waar mensen elkaar hoogstens gedag zeggen op straat, en alleen maar werken en televisie kijken?''

Maar nu vertrokken zijn vrienden. Donderdagochtend besloten Momcilo en Slavica Jovanovic dat ze dan ook maar weg moesten.

In Pristina zijn ze bijna de laatsten die weggaan. Uit heel Kosovo vluchtten al meer dan vijftigduizend – van de in totaal tweehonderdvijftigduizend – Serviërs. KFOR-commandanten probeerden ze nog tegen te houden. KFOR, zeiden ze, was er ook voor de veiligheid van de Serviërs. Het UÇK zou ontwapend worden. Maar de Serviërs waren niet meer tegen te houden.

Uit de dorpen in het zuiden en westen van Kosovo kwamen ze op tractoren. Hun bankstellen, televisies, lampen, koelkasten en wasmachines stevig vastgebonden op een kar, overdekt met plastic. In een lang konvooi trokken ze om Pristina heen. Serviërs uit de steden vertrokken in auto's, busjes of vrachtwagens. De eersten die begin deze week weggingen, waren nog zo onverstandig om door het centrum van Pristina te rijden, de snelste weg naar Servië. In een buitenwijk van de stad gooiden Albanezen stenen naar hun auto's. Jovanovic zal een omweg nemen naar Prokuplje.

Mooie auto's

De Serviërs die nu nog in Pristina wonen, zijn van plan in Kosovo te sterven. Zij laten zich, zeggen ze, niet wegjagen.

Jovanovic bijt op zijn lippen, in zijn ogen staan tranen. Maar hij zegt: ,,Het is tijdelijk. Ik heb vakantie opgenomen. Misschien zijn we over een paar weken weer terug.''

Vrienden heeft Jovanovic niet in Prokuplje. Hij weet ook nu al, zegt hij, dat hij door zijn landgenoten in Servië niet hartelijk ontvangen zal worden. ,,We zijn vluchtelingen, ze zullen op ons neerkijken. En misschien zijn we een bedreiging voor ze. Als wij werk vinden in Servië.''

De Serviërs die Kosovo al veel eerder verlieten, zegt Jovanovic, verkochten hun huizen voor veel geld. ,,Zij waren rijk. Wij komen met niks. Mijn huis is zeker een miljoen Duitse mark waard. Nu zou ik er weinig voor krijgen. Maar het was te moeilijk voor me: het huis van mijn vader verkopen aan Albanezen.''

Kort na het begin van de NAVO-bombardementen vluchtten Jovanovic' Albanese buren naar Macedonië. ,,Omdat ze bang waren voor de bommen'', zegt hij, ,,net als wij.'' Volgens Jovanovic was er geen enkele andere reden voor hun vertrek.

,,Er is de Albanezen hier niets aangedaan. Er zijn wel wat winkelruiten ingegooid, maar daar zal wel een aanleiding voor zijn geweest.''

Over massagraven die deze week werden gevonden in Kosovo heeft Jovanovic nog niets gehoord. Maar hij kan niet geloven dat de verhalen over bloedbaden, aangericht door Serviërs, waar zijn. ,,Albanese terroristen vermoorden hun eigen mensen om meer voor elkaar te krijgen bij de internationale gemeenschap. Ze verzinnen verhalen, ze zetten slachtingen in scène. En het Westen trapt er steeds maar weer in.''

Volgens Jovanovic proberen de Albanezen van Kosovo al heel lang om zoveel mogelijk te krijgen, ten koste van de Serviërs. ,,Maar ze hadden alles. Grote huizen, mooie auto's, winkels, scholen, connecties. Wij hadden niks. De Serviërs waren de tweederangs burgers hier, niet de Albanezen.''

Jovanovic begrijpt er niets van, zegt hij. ,,Waanzin is het, dat ze toch steeds maar meer willen hebben. En nu hebben ze niets meer. Ze hebben zelf kapot gemaakt wat ze hadden in Kosovo.''

Jovanovic' grootste angst was altijd dat de Albanezen ook politieke invloed zouden krijgen. Dat zou, zegt hij, dictatuur betekenen. De Albanezen zouden de Serviërs met grof geweld onderdrukken. Zijn schrikbeeld: een Albanese man die de macht heeft om Jovanovic' dochterje, nu nog maar viereneenhalf jaar, tot vrouw te nemen. ,,Want zo zijn ze.''

Jovanovic vond het vreselijk om te zien, Albanese burgers van Pristina die de Britse KFOR-militairen als bevrijders binnenhaalden. ,,Die mensen denken dat ze voor hen hier zijn. Ze denken dat de militairen alleen de Albanezen komen beschemen.'' Veel Serviërs denken dat ook, en daarom gaan ze weg. Maar Jovanovic heeft zijn laatste hoop gevestigd op KFOR. Natuurlijk is ook hij bang dat de internationale troepenmacht partij zal kiezen voor de Albanezen. Maar misschien valt het mee – dan komt Jovanovic onmiddellijk terug naar Pristina. Hij wijst op de buitenlandse literatuur in zijn boekenkast, op de – uit het Engels vertaalde – naslagwerken van zijn vrouw die arts is. ,,Zoveel beschaving komt er uit het Westen. Waarom kan het Westen dan niet het probleem hier op een beschaafde manier oplossen? Amerika staat achter de Albanezen. Het is een gevecht tussen kinderen geworden: `Jij hebt misschien wel gelijk, maar ik ben sterker'.''

In het bijna lege huis van Jovanovic hangen nog vier schilderijen aan de muur. Door Jovanovic zelf gemaakt, hij schildert in zijn vrije tijd. Twee afbeeldingen van blote vrouwen, een van een schaal fruit, en – de grootste – een van een orthodoxe kerk. Jovanovic schilderde de kerk in 1988. Hij werd geïnspireerd door politieke beslissingen van Milosevic die het begin van het einde betekenden van Kosovo's autonome status. Albanese politieke leiders werden opzij gezet, Serviërs namen hun plek in. Jovanovic: ,,Eindelijk kwam er rechtvaardigheid voor de Serviërs van Kosovo.''

De meeste schilderijen die Jovanovic maakte, heeft hij naar zijn schoonzus in Servië gebracht. Die van de orthodoxe kerk laat hij hangen.