Onze ogen en oren

Hoofdredacteur Michael Maier van het Duitse weekblad Stern wordt gekweld door schuldgevoelens. `Hebben we alles gedaan om het leven van onze verslaggevers in Kosovo voldoende te beschermen? Hadden we de catastrofe misschien kunnen voorkomen? Waarom moesten Gabriel Grüner en Volker Krämer sterven? Deze vragen laten ons niet meer los.'

Op 13 juni schoten sluipschutters op de weg van Prizren naar Skopje de twee genoemde journalisten van Stern en hun Macedonische tolk Senol Alit dood. Zij waren niet de eersten die bij de uitoefening van hun beroep in het oorlogsgebied op de Balkan het leven lieten. Sinds 1991 zijn naar schatting zestig journalisten in het voormalige Joegoslavië omgekomen. Ook niet de laatsten: woensdag werden een Britse journalist en zijn Albanese tolk ten noorden van Prizren neergeschoten.

Maier vraagt zich in een hoofdredactioneel commentaar van het in rouw gedompelde en met een zwarte cover verschenen weekblad af, hoe hoog de prijs mag zijn voor journalistiek die geen genoegen neemt met het onrecht in de wereld. `Moeten verslaggevers hun leven riskeren om over het sterven van andere mensen te berichten?'

Grüner (35) en Krämer (56) waren geen avonturiers, integendeel, ze waren ervaren vakmensen die geen enkel onnodig risico namen. Grüner deed verslag van het oorlogsgeweld in het voormalige Joegoslavië vanaf het moment dat daar het eerste schot werd gelost. Zelf had hij aangekondigd dat zijn reportage uit Kosovo de laatste zou zijn: hij had genoeg van alle haat, het lijden, de waanzin. Volgens zijn collega's betrachtte hij altijd de uiterste nauwkeurigheid en checkte hij zijn informatie tot in de kleinste details. Als hij bijvoorbeeld met vluchtelingen sprak, noteerde hij hun vroegere adressen en telefoonnummers en vergeleek die met oude Joegoslavische telefoonboeken om na te gaan of zijn bronnen authentiek waren. Geen journalist dus, die zich voor een propagandakar liet spannen. Hij weigerde ook consequent de schuld voor het moorden op de Balkan eenzijdig bij de Serviërs te leggen. Herhaaldelijk reisde hij naar Servië om de oorlog ook vanuit Servisch oogpunt te kunnen beschouwen. Hij deed verslag, gaf geen meningen, schreef geen commentaren. Een uitzondering maakte hij in februari 1996, toen hij in debat ging met de schrijver Peter Handke, wiens werk hij bewonderde en wiens pro-Servische standput hij eveneens probeerde te begrijpen.

In de beroepsopvatting die spreekt uit dit handjevol levensfeiten ligt al de sleutel voor een antwoord op de vragen die Maier zich stelt en die alle hoofdredacteuren, ook van Nederlandse media, zich de afgelopen jaren voortdurend hebben moeten stellen.

Wij, het publiek, de openbare mening, wij kunnen het onmogelijk stellen zonder de ogen en oren van verslaggevers ter plaatse die zo onbevooroordeeld, feitelijk en waarheidsgetrouw mogelijk hun waarnemingen verrichten. Daar kunnen geen duizend columns tegenop.

Zonder het werk van verslaggevers ter plaatse zijn we overgeleverd aan de Jamie Sheas van deze wereld, de voorlichters, propagandisten en news managers. Dan zouden wij in dezelfde positie verkeren als de bevolking van Servië die door de staatstelevisie werd opgehitst en gehersenspoeld (wat overigens nog geen rechtvaardiging oplevert voor het uit de lucht vermoorden door de NAVO van Servische omroepmedewerkers).

Het is treurig maar waar dat journalisten op de Balkan als schietschijf dienen. De oorlog is al vaak een media-oorlog genoemd. Altijd al, zolang er kranten bestaan, hebben oorlogscorrespondenten zich in gevaar moeten begeven, maar nooit in die mate als nu het geval is als gevolg van de mediatisering van het krijgsbedrijf. De meeste van de verslaggevers en cameramensen die in het voormalige Joegoslavië het leven hebben gelaten, zijn vermoord omdat zij journalisten waren, niet omdat zij in kruisvuur verzeild raakten. Ze werden beschoten in hun auto's waarop het woord PRESS met grote letters was aangebracht. Gedurende de bombardementen op Servië werd in dat land van staatswege een hetze tegen Westerse journalisten gevoerd. In de ogen van de Servische paramilitairen zijn zij NAVO-propagandisten en dus vogelvrij.

In Kosovo is vrijwel iedereen, Serviër en Albanees, bewapend. De journalisten zijn echter, anders dan de NAVO-soldaten, totaal weerloos. Ik bewonder de moed van alle verslaggevers die bereid zijn zich als onafhankelijke getuigen in een oorlogssituatie te begeven. Het respect voor wat zij doen kan niet groot genoeg zijn. Als non-belligerenten onthullen zij niet alleen de in Kosovo gepleegde oorlogsmisdaden, maar kijken zij ook de NAVO-militairen op de vingers, wat voor iedereen in het gebied een beschermende en matigende werking kan hebben.

Zo goed en zo kwaad als het gaat – er is ongetwijfeld een portie desinformatie in de berichtgeving – hebben wij het aan hen, de verslaggevers, fotografen en cameramensen, te danken dat er behalve propaganda ook betrouwbare verhalen tot ons komen over de verwoestingen, de massamoorden en de etnische haat. In zijn afscheidswoorden in Stern zegt hoofdredacteur Maier dat Gabriel Grüner en Volker Krämer ervan overtuigd waren, dat nog grotere verschrikkingen te voorkomen zijn als de gruweldaden worden onthuld. Zijn antwoord op de vraag of de prijs niet te hoog is, luidt dan ook dat het hoe dan ook noodzakelijk blijft verslaggevers naar oorlogsgebieden te sturen. `Wij journalisten zullen ondanks alle gevaren naar de waarheid moeten blijven zoeken. Een risico, een beroepsrisico, zal er altijd zijn.' Het is verantwoord en zelfs noodzakelijk wegens het belang van een onafhankelijke nieuwsgaring.

Onafhankelijkheid is de bestaansreden van de journalistiek. De hoofdredacteur van de Volkskrant Pieter Broertjes stuurde deze week `als vriendschappelijk gebaar naar een gewaardeerde columnist' een aanbevelingsbrief voor Bolkestein naar Prodi, de voorzitter van de Europese Commissie. Zulks op verzoek van de Liberale Internationale waarvan Bolkestein voorzitter is. Deze lichtzinnigheid – wie kan als Bolkestein Europees commissaris wordt de berichtgeving in de Volkskrant over Brussel nog vertrouwen? – getuigt van weinig begrip voor het principe van de journalistieke onafhankelijkheid. Toch weet ik zeker dat Broertjes, mocht hij, wat God verhoede, ooit in de positie van Maier komen, hetzelfde principiële standpunt zou innemen als zijn Duitse collega.