KWAKZALVER 2

Borst schrijft (W&O, 22 mei) dat Renckens van de Vereniging tegen de Kwakzalverij mij een kwakzalver mag noemen, omdat ik een therapie toepas waarvan de waarde niet wetenschappelijk is vastgesteld. De rechter heeft Renckens voorlopig in het gelijk gesteld. Volgens dit vonnis mag iedereen een kwakzalver worden genoemd, zolang zijn therapie niet is bewezen.

Borst zag de bui al hangen en haastte zich de reguliere artsen, waaronder oncologen die fase I chemotherapieën toepassen, die immers evenmin bewezen zijn, veilig te stellen door twee zogenaamd fundamentele verschillen met mijn therapie van stal te halen:

1.Een experimentele therapie wordt altijd aangeboden als experimentele therapie, omdat het niet zeker is dat de nieuwe therapie beter werkt dan de standaard therapie en

2.Een reguliere experimentele therapie is gebaseerd op zorgvuldig getoetst wetenschappelijk inzicht en vrijwel altijd uitgetest bij proefdieren.

Om met het tweede argument te beginnen: In Medisch Contact 17-1995 werd er in het artikel `Huisarts en zinvol handelen' op gewezen dat uit het bekende handboek Interne Geneeskunde van C. Loeb bleek dat slechts 20% van de beweringen op medisch gebied wetenschappelijk onderbouwd is. Ook the Office of Health Technology Assessment, een instituut in de Verenigde Staten dat beslist over al dan niet betaalbaar stellen van medische technologie, schat dat niet meer dan 20% van het medisch handelen gebaseerd is op goed uitgevoerd klinisch onderzoek. Het valt in redelijkheid niet te verwachten dat de Nederlandse situatie anders is. Volledig uit de lucht gegrepen is de stelling van Borst: `Voor alternatieve behandelwijzen geldt dat niet.'

Voor mijn behandelwijze geldt dat in elk geval wel. Ten eerste wijs ik Borst op de meer dan 400 literatuurreferenties in mijn boek `Niet toxische tumortherapie'. Ten tweede verwijs ik hem naar de meer dan 1000 literatuurstudies, waaronder veel onderzoek bij proefdieren, welke op Internet te vinden zijn over het genisteïne complex, één van de door mij meest gebruikte kankerremmende middelen. Ten derde wijs ik hem op het artikel van C.A. Gogos e.a.: `Dietary omega 3 poly and unsaturated fatty acids plus vitamin E restore immundeficiency and prolong survival for severly ill patients with generalised malignancy. Cancer, 82.395-402 1998'.

Wat het eerste argument van Borst betreft: Er is bepaald geen verschil met mijn benadering aantoonbaar, laat staan een fundamenteel verschil. Ook ik stel dat mijn therapie (nog) niet wetenschappelijk bewezen is.

Voorts suggereert Borst dat ik niet bereid zou zijn om mijn therapie aan een stringente test te onderwerpen. Dat is volkomen onzin, want ik pleit al jaren voor een zogenaamd dubbelblind onderzoek. Een serieuze poging daartoe is gedaan door het Canisius Ziekenhuis in Nijmegen waarvoor gedurende twee jaar besprekingen hebben plaatsgevonden met de directeur dr. Versteeg, prof. Valkenburg, prof. Vroon, dr. Kunst en ikzelf. Helaas trokken de oncologen zich terug, waardoor het onderzoek geen doorgang kon vinden.

Nog op het KWF-congres heb ik de oncologen opgeroepen om mee te werken aan vergelijkend onderzoek. Samenwerking om goede onderzoeken te laten plaatsvinden acht ik van het grootste belang voor de kankerpatiënt.

Ten slotte: Renckens mag mij van de rechter een leugenaar noemen. Ik ben tegen het vonnis in beroep gegaan en ik wacht dat hoger beroep in vertrouwen af.

DR. A.J. HOUTSMULLER Rotterdam

naschrift Piet Borst

Houtsmuller beweert dat zijn therapie wetenschappelijk onderbouwd is, dat hij bereid zou zijn om zijn therapie te laten testen, en dat hij zijn therapie als experimenteel aanbiedt. Op alle drie punten heeft hij mijns inziens ongelijk.

De wetenschappelijke onderbouwing bestaat uit het boek `Niet-toxische tumortherapie' uit 1995. In dit boek geeft Houtsmuller een onkritische analyse van de literatuur over voeding en kanker, waarin rijp en groen door elkaar worden geklutst en waaruit een diepgaand gebrek aan biochemische kennis blijkt (vind ik als hoogleraar Biochemie). Het dieet dat Houtsmuller ontleent aan deze ondeskundige analyse mist een zorgvuldig beredeneerde, rationele grondslag. Het dieet is nooit voorgelegd aan kritische, deskundige vakgenoten, of bij proefdieren uitgetest. Dit is ondenkbaar bij een reguliere experimentele therapie. Houtsmuller is bereid om zijn dieet te laten testen, maar hij kan weten, als arts, dat een serieus ziekenhuis geen experimentele therapie kan toetsen bij ernstig zieke patiënten, als daar geen fatsoenlijke wetenschappelijke onderbouwing voor is. De ethische commissie, die waakt over het patiëntenbelang, zou daar geen toestemming voor kunnen geven. Wat Houtsmuller wel had kunnen doen, is zijn eigen patiënten analyseren. De bewijskracht van zo'n ongecontroleerd onderzoek is weliswaar gering, maar het is een eerste stap. Sinds 1984 heeft hij echter niets gepubliceerd in vaktijdschriften (volgens de PubMed index). Het is ten slotte ook onjuist dat Houtsmuller zijn therapie als experimenteel aanbiedt.

Eén van zijn twee boeken heeft zelfs als ondertitel: `Voeding als sterk wapen tegen kanker'. Houtsmuller heeft zijn therapie ook altijd aangeprezen met het uit de duim gezogen verhaal van zijn eigen wonderbaarlijke genezing door het Houtsmuller dieet: `Uitzaaiing van het melanoom in de rechternier. Er was geen verdere hulp meer mogelijk'. (Niet-toxische tumortherapie, p.1). Ik denk niet dat echte experimentele kankertherapieën ooit ondersteund zijn met (fictieve) verhalen over de spectaculaire genezing van de behandelend arts.

Naast de brief van Houtsmuller kwam er een stroom van andere lange brieven, die grotendeels niet geplaatst kunnen worden. Bovendien zijn er columns verschenen en columns over die columns. Daarop valt niet meer te reageren. Elders op deze pagina heb ik daarom mijn standpunt over voeding en kanker nog eens samengevat.