Klantgerichte zorg door concurrentie

Het kabinet wil de starheid van de hulpverlening doorbreken. Meer concurrentie en de overheid moet niet langer alles centraal willen voorschrijven.

De regels voor de hulp in de verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg en inrichtingen zijn te star waardoor patiënten niet altijd die hulp krijgen die ze eigenlijk nodig hebben. Dit kan veranderen als de overheid niet langer centraal alles precies voorschrijft. Verzekeraars moeten daarom de hulp regionaal gaan organiseren.

Dit blijkt uit de notitie `Zicht op zorg' van staatssecretaris Vliegenthart (Welzijn) waar het kabinet gisteren mee heeft ingestemd. Het is een plan van aanpak voor de modernisering van de uitvoering van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Daarmee wil Vliegenthart de starheid van de hulpverlening doorbreken, betere samenwerking tussen de verschillende hulpvormen mogelijk maken en de doelmatigheid ervan vergroten. Anders dan op dit moment het geval is moet het hulpaanbod worden afgestemd op de behoefte daaraan.

Vliegenthart hoopt dit onder meer te bereiken door de leveranciers van zorg onderling te laten concurreren. Deze verliezen daarbij de garantie dat ze jaarlijks een vast budget krijgen. In de toekomst worden ze alleen nog maar betaald voor de afgesproken en ook geleverde hulp. Een centrale rol daarbij krijgt het zorgkantoor dat in de praktijk meestal zal worden geleid door de belangrijkste verzekeraar in de regio. Er komen 31 zorgkantoren met vergaande bevoegdheden. Die hoeven overigens geen contracten te sluiten met bestaande instellingen. Ze mogen dat ook doen met nieuwe leveranciers, mits deze voldoen aan een aantal voorwaarden (die ook gelden voor bestaande instellingen). Het zorgkantoor kan dan de benodigde hulp inkopen bij die leveranciers die voor hetzelfde geld een betere kwaliteit leveren, of die voor dezelfde kwaliteit een lagere prijs rekenen. De zorgkantoren moeten daarbij ook gaan toezien op het (financiële) reilen en zeilen van de leveranciers opdat zeker is dat het premiegeld verantwoord wordt besteed.

De tarieven die voor afzonderlijke hulpvormen mogen worden vergoed, zullen aan een maximum gebonden zijn. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de zwaarte van de gevraagde hulp: de begeleiding van een licht verstandelijk gehandicapte zal in sommige gevallen minder tijd vergen dan bij zwaarder gehandicapten het geval is. De zorgkantoren kunnen zelf bepalen welk deel van het regionaal budget aan welke sector wordt besteed. Het zorgkantoor wordt wel geacht zich te richten naar de `regiovisie'. Deze wordt jaarlijks onder leiding van provincie of een van de vier grote steden opgesteld door hulpverleners, patiëntenorganisaties, zorgkantoor en het zogenoemde indicatieorgaan dat vaststelt wat voor hulp iemand nodig heeft.

Deze visie is te beschouwen als een beleidskader voor de gewenste ontwikkeling van het hulppakket in de regio. Het zorgkantoor zal daar echter niet juridisch aan gebonden zijn. Wachtlijsten zullen ook in die toekomst niet te voorkomen zijn - het zorgkantoor is voor zijn uitgaven immers aan een maximum gebonden - maar volgens Vliegenthart zullen ze kleiner dan nu zijn omdat een betere benutting van de beschikbare capaciteit mogelijk wordt.

Welke hulp en hoeveel daarvan iemand nodig heeft wordt vastgesteld door een onafhankelijk indicatieorgaan. Het zorgkantoor dient er voor te zorgen dat die hulp ook beschikbaar is. Anders dan nu kan een gecontracteerde hulpverlener een patiënt die naar hem wordt verwezen niet weigeren.

Vliegenthart heeft een aantal jaren nodig om alle noodzakelijke veranderingen in te voeren. Zij moet onder meer de bevoegdheden van de zorgkantoren sterk uitbreiden en voldoende controle en toezicht op zorgkantoor en indicatieorgaan organiseren.